Dood van Rachel
Vers 16 En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.27 een kleine Anders, omtrent een voedering, of pleistering lands; dat is, zoveel land als men reist eer men pleistert, een mijl van den weg. Zie Gen. 48:7; 2 Kon. 5:19.28 Efrath Dit is de naam van een stad, die gewoonlijk Bethlehem genoemd wordt. Zie deze beide namen onder, Gen. 35:19; Micha 5:1.Vers 17 En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!29 zult gij Of, hebt gij ook, boven Jozef; gelijk gij gewenst hebt, dat u nog een boven hem zou toegevoegd worden; boven Gen. 30:24.Vers 18 En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.30 als haar Een klare beschrijving van den dood, waaruit blijkt dat hij is een scheiding der ziel, die tot een ander leven overblijft, en gaat uit het lichaam, hetwelk door den dood vergaat. Waarom ook gezegd wordt van degenen, die nog leven, dat hun ziel in hen is, 2 Sam. 1:9, en van degenen, die sterven, dat hun geest uitgaat, Ps. 146:4, en van degenen die verrijzen, dat hun geest in hen wederkeert; 1 Kon. 17:21,22.31 (want zij Of, dat zij stierf, en noemde, of had genoemd.32 Ben-oni; Dat is, zoon mijner smart, mijns weedoms.33 Benjamin. Dat is zoon der rechterhand; dat is, die mij altijd nabij en zeer lief zal zijn, als den mens zijn rechterhand; Ps. 80:18.Vers 19 Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.34 Efrath, Deze naam schijnt Bethlehem gegeven te zijn door Kalebs huisvrouw, zie 1 Kron. 2:19,24; en daarmede wordt ook dit Bethlehem, gelegen in den stam van Juda, [Micha 5:1; Matth. 2:6], onderscheiden van een ander Bethlehem, gelegen in den stam van Zebulon; Joz. 19:15.35 Bethlehem. Bethlehem betekent een huis des broods.Vers 20 En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.36 tot op dezen Te weten, ten tijde toen Mozes dit schreef; ja het bestond nog ten tijde van Samuël en Saul; 1 Sam. 10:2. Omtrent den kindermoord, dien Herodes hieromtrent heeft laten plegen, ten tijde van Christus' geboorte, zie Jer. 31:15; Matth. 2:16,17.Vers 21 Toen verreisde Israël, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-eder.37 Israël, Hier wordt Jakob eerst Israël genoemd, naar het bevel Gods, Gen. 35:10.38 Migdal-Eder. Dat is, een toren der kudde; zie ook Micha 4:8.Vers 22 En het geschiedde, als Israël in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.39 bijwijf; Zie boven, Gen. 22:24.40 Israël Zonder twijfel met groot harteleed, ziende dat door deze daad van Ruben God vertoornd, zijn huisgezin onteerd, en oorzaak van lasteringen gegeven was; zo zelfs, dat Jakob, liggende op zijn sterfbed, reden had om zich te beklagen over deze schandelijke daad; onder, Gen. 49:3,4; en Ruben het recht der eerstgeboorte te benemen; 1 Kron. 5:1,2.Vers 23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.41 De zonen Deze twaalf zonen van Jakob worden hier vermeld, omdat hun getal na Benjamins geboorte en Rachels dood nu vol was, en hem geen zonen meer geboren zijn; en dat deze twaalf geweest zijn de vaders der twaalf stammen Israëls, van welke hierna dikwijls zal gesproken worden.Vers 24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.Vers 25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.Vers 26 En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-aram.42 die hem Uitgenomen Benjamin, die bij Efrath in het land Kanaän geboren is, boven, Gen. 35:16. Maar Mozes spreekt zo, aangezien al de anderen daar geboren zijn. Dit is een manier van spreken, waardoor iets niet precieselijk wordt gesteld, maar in het algemeen en in een zeker opzicht; zie boven, Gen. 15:13; onder, Gen. 46:15; Richt. 20:46; 1 Cor. 15:5.