Izak geboren. Hagar en Ismaël uitgedreven
Vers 1 En de Heere bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de Heere deed aan Sara, gelijk als Hij gesproken had.1 bezocht God bezoekt op tweeërlei wijze: òf met enige bijzondere weldaad en vervulling zijner belofte, als onder Gen. 50:24; Exod. 4:31; Ruth 1:6; Ps. 8:5, gelijk het woord hier ook genomen wordt; òf met uitvoering van dreigementen en straffen, Exod. 20:5; Deut. 5:9; Ps. 59:6; Jes. 27:1.Vers 2 En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.2 in zijn And. voor zijn ouderdom, en alzo ook Gen. 21:7.3 ter gezetter Zie boven, Gen. 18:10,14.Vers 3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.4 noemde Maar het bevel des Heeren, boven Gen. 17:19. Zie aldaar de aant.Vers 4 En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.5 zijnde Hebr. een zoon van acht dagen. Alzo in het volgende vs. Gen. 21:6.Vers 5 En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.Vers 6 En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.6 lachen gemaakt: Eensdeels der verwondering over de zeldzaamheid dezer zaak; anderdeels der vreugde, omdat velen zich over deze weldaad Gods verblijden zullen.7 zal met Dat is, zich met mij verblijden, Luk. 1:58.Vers 7 Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.8 zonen Dat is, een zoon, zijnde het getal van velen naar het gebruik der Heilige Schrift, voor het getal van een somtijds genomen; zoals onder Gen. 46:7,23; Num. 20:8.Vers 8 En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.Vers 9 En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.9 spottende. Zonder twijfel den spot daarmede drijvende, dat men zoveel werk van Izak maakte, die lang na hem geboren was. Deze bespotting is uit zulke bitterheid gesproten, dat de apostel haar noemt vervolging, Gal. 4:29.Vers 10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.10 niet erven. Hieruit is af te nemen dat Ismaël zonder twijfel door insteking van zijn moeder, mede gewag gemaakt heeft van het recht der eerstgeboorte en beërving der goederen. En hierom is Sara zozeer verstoord geweest, zowel tegen de moeder als tegen den zoon.Vers 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.11 was zeer Dat is, misviel hem zeer, om de liefde, die bij zijn zoon Ismaël toedroeg, en om de belofte, die hij van God voor hem gekregen had; boven Gen. 17:18,20. Kwaad, wordt gezegd, in iemands ogen te zijn, wat hem mishaagt en onaangenaam is; alzo in het volgende vs. Gen. 21:12 en onder Gen. 28:8; Exod. 21:8; Num. 11:10.Vers 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.12 God Te weten, des nachts, Gen. 21:1413 al wat Aangaande deze zaak van Ismaël en Hagar.14 Izak Dat is, Gods volk, bij hetwelk het verbond Gods zal berusten, en inzonderheid de Messias, zullen niet voortkomen van Ismaël, maar van Izak; mitsgaders die alleen zullen het ware geslacht van Abraham zijn; niet die naar de natuur vleselijk uit hem zullen voortkomen, gelijk Ismaël; maar die door de genade en kracht der geestelijke belofte zijn kinderen zullen zijn, gelijk Izak; zie Rom. 9:6,7,7.15 genoemd Anders, geroepen worden.Vers 13 Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.16 tot een Zie boven, Gen. 16:10, en Gen. 17:2017 omdat hij Dat is, omdat hij uw zoon is, en dat hij van u afkomstig is.Vers 14 Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.18 brood, Versta door brood en water, alles wat tot deze reis nodig was.19 kind, Te weten, Ismaël, boven genoemd jongen, Gen. 21:12, en ond. Gen. 21:17. De geestelijke beduiding van deze gehele zaak, zie Gal. 4:23,24, enz.20 in de Gelegen op de zuidelijke grens van Palestina, niet ver van Gerar, en op dezen tijd aldus nog niet genoemd, maar daarna, toen de koning Abimelech omtrent die plaats met Abraham een verbond heeft gemaakt. Zie onder, Gen. 21:31.Vers 15 Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.21 zo Als hij niet langer kunnende aan haar hand gaan, en te groot zijnde om door Hagar te kunnen gedragen worden; want hij was nu omtrent 17 jaren oud. Zie ond. Gen. 21:18.22 onder Te weten, om bevrijd te zijn tegen de hitte van de zon, opdat het in stilte onder de schaduw zijn geest, zoals zij meende, mocht geven.Vers 16 En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.23 zo verre Zover als een boogschutter afgaat van zijn perk; of omtrent een boogschot.24 Dat ik Hebr. dat ik niet zie, als het kind sterft, of het sterven des kinds.Vers 17 En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.25 van den Die ontwijfelbaar niet minder dan de moeder, in dezen droevigen staat zijnde, geschreid heeft.26 ter plaatse Hebr. in hetwelk, of in hetgeen waar hij is.Vers 18 Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.Vers 19 En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.27 God Niet dat zij tevoren niet zag, maar dat God haar ogen zo bestuurd en gehouden heeft, dat zij dien put niet bemerkte. Verg. Luk. 24:31.Vers 20 En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.28 God was God was hem gunstig, en zegende hem naar den inhoud zijner belofte, zoveel het tijdelijke betreft. Verg. ond. de aant. op Gen. 21:2229 een boogschutter. Hebr. een schietende boogschutter. Dat is, een kloek jager en krijgsman. Zie boven, Gen. 16:12.Vers 21 En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.30 Paran; Zie bov. Gen. 14:6.31 en zijn Merk hier op het recht der ouders over de kinderen in huwelijkszaken, ja zelfs der moeder alleen. Verg. ond. Gen. 24:3,4, enz.