Vertrek van Lot
Vers 30 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijn twee dochters met hem; want hij vreesde binnen Zoar te wonen. En hij woonde in een spelonk, hij en zijn twee dochters.54 want Waar hij nochtans tevoren meende zich allerveiligst te zullen bergen. Zie Gen. 19:20; maar nu vreest hij dat God die stad mede zou mogen verderven, of dat hij aldaar enig geweld mocht lijden van de inwoners.Vers 31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.55 jongste: Hebr. kleine, en alzo in de volgende vs. 34, 35, 38. Dat is, de jongste.56 in dit Zij wisten wel dat te Zoar mannen waren, maar vreesden dat die gelijk de anderen, mede vergaan zouden.57 om tot Zie deze manier van spreken, boven Gen. 6:4, en Gen. 16:2,4; Deut. 25:5.58 naar de Hebr. naar den weg. Zie boven, Gen. 18:11.Vers 32 Kom, laat ons onze vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onze vader zaad in het leven behouden.59 wijn te Die zij tot voorraad op haar reis van Sodom of Zoar medegebracht hadden.60 bij hem Een schrikkelijke voorslag, en val in Lots huisgezin.61 zaad in Een zoon, of kind; aldus onder Gen. 19:34. Zie boven Gen. 4:25.Vers 33 En zij gaven dien nacht haar vader wijn te drinken; en de eerstgeborene kwam, en lag bij haar vader, en hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.Vers 34 En het geschiedde des anderen daags, dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijn vader gelegen; laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, lig bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.Vers 35 En zij gaven haar vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem. En hij werd het niet gewaar in haar nederliggen, noch in haar opstaan.Vers 36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haar vader.Vers 37 En de eerstgeborene baarde een zoon, en noemde zijn naam Moab; deze is de vader der Moabieten, tot op dezen dag.62 der Moabieten Hebr. Moab. Een volk in de Heilige Schrift genoeg bekend, hebbende gewoond aan de oostzijde van de Jordaan en de Dode Zee, tussen de rivier Arnon en Jabbok.Vers 38 En de jongste baarde ook een zoon, en noemde zijn naam Ben-ammi; deze is de vader der kinderen Ammons, tot op dezen dag.63 der kinderen Dat is, der Ammonieten; een volk in de Heilige schrift mede genoeg bekend; hebbende mede gewoond oostwaarts van Palestina, doch noordwaarts van de Moabieten.