Instelling van de besnijdenis
Vers 9 Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.16 Gij nu Dat is, wat u aangaat, of van uw zijde. Nadat God zijn beloften gegeven had, zo eist Hij ook den plicht van zijn volk, zijnde het andere deel des verbonds. Vergelijk dit met vs. 4.Vers 10 Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij, en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.17 mijn verbond, Dat is, het teken en zegel mijns verbonds, gelijk vs. 11 wordt verklaard; zie Rom. 4:11. Deze manier van spreken, waardoor het teken den naam draagt van de betekenende zaak, wordt in de sacramenten menigmalen gebruikt, niet alleen om de geestelijke weldaden ons te beduiden en te verklaren, maar ook aan elken bondgenoot te verzegelen. Verg. hiermede Exod. 12:11; Matth. 26:17; Hand. 22:16; 1 Cor. 10:6, 1 Cor. 11:24,25; Tit. 3:5.18 mannelijk is Gelijk de natuurlijke onreinheid der vrouwen met de mannen gemeen was, zo behoorde ook haar de belofte der genade; niettemin heeft God een sacrament ingesteld, hetwelk alleen aan het mannelijk geslacht kon bediend worden, omdat de mannen de voornaamste oorzaak zijn van de geboorte, en, door de voortplanting, ook der natuurlijke onreinheid. Dit was genoeg voor dien tijd, totdat de Messias komende, een ander teken voor beiderlei geslacht instellen zou. Dat evenwel de vrouwen mede onder het verbond begrepen zijn, blijkt onder Gen. 34:14; Exod. 12:3,4; Joël. 2:15,16.Vers 11 En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.19 vlees Van de manier der besnijdenis, zie Joz. 5:2,3.20 teken Hier spreekt God van de besnijdenis eigenlijk; want zij was eigenlijk een teken des verbonds, en niet het verbond zelf, gelijk Hij ook aldus spreek van de andere sacramenten als van het pascha, Exod. 13:9: van den heiligen doop, Matth. 3:11; van het heilige avondmaal, 1 Cor. 11:28.Vers 12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;21 de ingeborene Zie boven, Gen. 14:14, en Gen. 15:3.22 de gekochte Hebr. verkrijging of koping des gelds, dat is, met geld verkregen of gekocht.23 vreemde Hebr. zoon des vreemden.Vers 13 De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.24 zekerlijk Hebr. besnijdende besneden worden.25 eeuwig Zie vs. 7.Vers 14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.26 wiens Welverstaande, desgenen, die, bejaard zijnde, de besnijdenis door ongeloof of verachting zou nalaten, of die de nalating van zijn ouders aan hem begaan, niet zou verbeteren, mits de besnijdenis te ontvangen. Anders, die het vlees der voorhuid niet zal besnijden.27 dezelve Dat is, de mens zal uit de gemeenschap van Gods volk gebannen zijn. Deze manier van spreken begrijpt ook, volgens sommiger gevoelen, een lijfstraf, door de overheid uit te voeren. Verg. Exod. 31:14, en Lev. 17:4.28 mijn verbond Zie 1 Cor. 11:27,29.Vers 15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.29 Sara: Gelijk de naam Abram veranderd is in Abraham, door invoeging van de letter h, alzo wordt de naam Sarai veranderd door verwisseling van de letter i in h op het einde. Sarai betekent, naar sommiger gevoelen, mijne prinses, doch eigenlijk : mijne prinsen; Sarah Sara betekent absolutelijk een prinses, waarvan de reden in het volgende vs. 16, wordt verhaald.Vers 16 Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden!30 zegenen, Zie boven Gen. 1:28.Vers 17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?31 viel Abraham Zie boven vs. 3.32 lachte; Te weten, niet uit twijfeling, gelijk Sara, onder Gen. 18:12, maar uit verwondering en blijdschap, sterk in het geloof zijnde, en ten volle vertrouwende, dat God, hetgeen Hij beloofd had, kon en zou volbrengen. Zie Rom. 4:19,20,21.33 die honderd Hebr. een zoon van honderd jaar.34 die negentig Hebr. een dochter van negentig jaar.Vers 18 En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht!35 Och, Abraham wenste dat Ismaël niet geheel van God mocht verlaten worden, maar dat God zijn ogen over hem wilde houden, om hem te beschermen en te zegenen.Vers 19 En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.36 Izak; Hebr. Jitschak. God geeft hem dezen naam van wege zijns vaders lachen. Zie vs. 17.37 eeuwig verbond Zie boven vs. 7.Vers 20 En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;38 twaalf Zie de namen dezer vorsten onder Gen. 25:13,14,16.Vers 21 Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.39 mijn verbond Merk op dit onderscheid: aan Ismaël worden lichamelijke goederen beloofd, maar Izak het verbond, begrijpende niet alleen lichamelijken, maar ook geestelijken zegen.40 andere jaar Dat is, het naastvolgende.Vers 22 En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.41 voer op Te weten, naar den hemel, in zulk een gedaante gelijk Hij hem verschenen was; boven vs. 1.Vers 23 Toen nam Abraham zijn zoon Ismaël, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had.Vers 24 En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.42 oud negen Hebr. een zoon van negen en negentig jaar. Alzo in het volgende vs.Vers 25 En Ismaël, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.Vers 26 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël, zijn zoon.43 op dezen Op welken God Abraham het bevel der besnijdenis heeft gegeven, zodat hij geen uitstel heeft genomen. Verg. boven vs. 23.Vers 27 En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.44 van den Hebr. van met den zoon des vreemden. De zin is, dat niet alleen de ingeborene van Abrahams huis en de gekochte besneden werden, maar ook de vreemden, die hem dienden, niet ingeboren noch gekocht zijnde. Anders, van den vreemden [te weten, zijnde] niet van Abrahams geslacht. Anders van den vreemden gekocht. Hebr. van den zoon, of kind eens vreemden, gelijk elders.