Belofte aan Abram
Vers 1 Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.1 in een Een soort der goddelijke openbaring, waardoor den mens, als hij niet slaapt, òf uitwendig van God iets voorkomt, òf in zijn geest opgetrokken wordt, om door denzelven inwendig te zien, of te verstaan hetgeen de Heere hem wil bekendmaken, Num. 12:6,7,8, Num. 24:4; Jes. 1:1; Hand. 10:10,11. Het schijnt dat God in dit gezicht Abram ook uitwendig op zichtbare wijze verschenen is; zie vs. 5 enz.2 Ik ben Deze woorden begrijpen de volheid aller gelukzaligheid, die God zijn kinderen in den Messias belooft en geeft, bestaande in de bescherming tegen alle kwaad, en toevoeging van alles goeds, hier aanvankelijk en hierna volmaaktelijk.Vers 2 Toen zeide Abram: Heere, Heere! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?3 wat zult Dat is, welke gave zal mij vermaken, zolang ik niet zie de vervulling uwer belofte, aangaande mijn zaad, waaruit de Messias zal voortkomen?4 daar ik Anders, ik ga toch zonder kinderen.5 bezorger van Hebr. de zoon der beloping, of, besturing, of, der bezorging van mijn huis. Dat is, de verzorger van mijn huis. Aldus wordt een zoon der vroomheid gezegd, 1 Kon. 1:52, voor een vroom man; aldus zonen der gevangenis, Ezra 4:1, voor degenen, die gevangen geweest waren; zonen der verdrukking, Spreuk. 31:5, voor verdrukten; en Jer. 48:45, zonen der beroerte, voor degenen die beroerte maken.6 deze Damaskener Hebr. Dammeseck, dat is, van Damaskus, of Damaskener. Dit is een afgebroken rede, die Abram vervolgt en ten einde brengt in het volgende vs. 3.7 Eliëzer. De naam des verzorgers van Abrams huis.Vers 3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!8 zaad gegeven, Dat is zoon. Zie boven Gen. 4:25.9 de zoon Dat is, mijn knecht, die in mijn huis geboren is, vergelijk boven Gen. 14:14. Met deze manier van spreken worden de ingeboren knechten onderscheiden van de zonen des lichaams, of eigen kinderen, zoals Job 19:17; Spreuk. 31:2; Jer. 2:14.10 zal mijn Hebr. zal mij erven, zo ook vs. 4.Vers 4 En ziet, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.11 Deze zal Nam. Eliëzer de Damaskener.12 uit uw Hebr. uit uw ingewand. Zie 2 Sam. 7:12; verg. onder Gen. 35:11, en 2 Kron. 6:9.Vers 5 Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!13 Hij Te weten, God.14 hem Nam. Abram.15 uit naar Buiten de tent.16 Zo zal Verg. boven Gen. 13:16; 1 Kon. 4:20.Vers 6 En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.17 hij geloofde Niet dat Abram hier eerst begon te geloven, maar dat hij sterker werd in het geloof, zijn vlees overwinnende, en de grote belofte, die hem God. vs. 1,4,5, van zijn zaad en voornamelijk van den Messias gedaan had, tot troost en zaligheid van zijn ziel langs zo meer aannemende.18 Hij rekende Dat is, God heeft uit loutere genade, hem, die geen gerechtigheid had in zichzelven, om voor zijn gericht te bestaan, voor rechtvaardig geacht, door het geloof aan zijn belofte en den beloofden Middelaar; Rom. 4:2,3, enz.19 tot Het woordje tot, wordt hier bijgevoegd uit Ps. 106:31; Rom. 4:3; Gal. 3:6; Jak. 2:23.