Krijgstocht van Abram
Vers 1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear, van Arioch, den koning van Ellasar, van Kedor-laomer, den koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;1 den koning Versta onder dezen geen zo machtige of grote koningen en monarchen, als wel enigen naderhand geworden zijn; maar zulke regenten, die over enige landen of plaatsen en menigte van mensen regeerden; hetgeen blijkt daaruit, dat die vijf steden Sodom, Gomorra, enz. elk een koning gehad hebben, vs. 2.2 Sinear, Zie boven Gen. 10:10.3 Ellasar, Opper(noordelijk)-Susan in Assyrië; verg. boven vs. 2, de aantekening op den naam Havila, vs. 11.4 Elam, Een landschap in Perzië, genaamd Elymais, van Elam den zoon van Sem, boven Gen. 10:22.5 der volken; Het schijnt dat de onderdanen en krijgslieden van dezen koning uit onderscheiden natiën bestonden. Enigen menen dat het Hebr. woord Gojim hier een naam is van zekere plaats of landschap.Vers 2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en den koning van Bela, dat is Zoar.6 Dat zij krijg voerden Dit is de eerste oorlog in de Heilige Schrift duidelijk vermeld. Men vindt in geen andere historiën der wereld van enigen oorlog gewag gemaakt, die zo oud is als deze.7 Sodom, Gomorra, Adama, Zeboim, Deze vijf steden, die hier met oorlogen worden gestraft, zijn [Zoar uitgenomen] niet lang daarna, van wege haar ondragelijke goddeloosheid, met vuur en sulfer uit den hemel verteerd.8 dat is Zoar. Zie boven Gen. 13:10.Vers 3 Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.9 in Anders na, of tot. Dit was de laagte, waarin de voormelde steden gelegen waren.10 de Zoutzee. Na den ondergang dezer steden aldus genoemd, omdat die landstreek [waarin veel zout- of brakke lijmputten waren, vs. 10], geworden is tot een groten stinkenden poel, ook genoemd Lacus Asphaltites. Dat is, de Pek-, of Lijm-zee, als ook de Dode-zee, omdat daarin geen dier levend kon blijven.Vers 4 Twaalf jaren hadden zij Kedor-laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.11 gediend; Zijnde door hem door een voorgaanden krijg, zoals het schijnt, zover bemachtigd, dat zij hem tribuut moesten geven.12 in het Hebr. dertien jaren, dat is, dertiende jaar, en zo ook in het volgende vs. veertien, voor het veertiende.Vers 5 Zo kwam Kedor-laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaieten in Asteroth-karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-kiriathaim;13 de Rephaim Een volk, afkomstig van Kanaän. Zie onder Gen. 15:20. Anders, Reuzen; men meent dat dezen zo genoemd zijn, om hun gezonde kracht en sterkte.14 in Asteroth-Karnaïm, Een stad over de Jordaan, ook alleen Asteroth genaamd: Deut. 1:4; Joz. 9:10, en Joz. 13:31; haar toenaam is Karnaïm, welke zij schijnt te hebben van wege haar gelegenheid.15 de Emim Zeker volk, hetwelk men meent dat reuzen geweest zijn.16 Schave Kiriathaïm. Een stad van de Rubenieten, naderhand in Gilead gebouwd, eerst, zoals het schijnt, genaamd Schave. Zie onder vs. 17; Num. 32:17; Joz. 13:19. Anders, in het effen land.Vers 6 En de Horieten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.17 de Horieten Hebr. Chorieten, een volk, dat in Seïr woonde, gelijk ook Ezau, onder Gen. 32:3, totdat de Edomieten of Ezaus nakomelingen hen van daar verdreven hebben, onder Gen. 36:20; Deut. 2:12,22.18 Paran, Dit is de naam van een stad, het gebergte en het omliggende land. Zie Num. 13:3; Deut. 33:2; 1 Sam. 25:1; Habak. 3:3. Hiervan heeft de woestijn Paran haar naam; onder Gen. 21:21; Num. 10:12.Vers 7 Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-thamar woonde.19 En-Mispat, Ten tijde van Mozes genoemd Kades, gelegen in de woestijn Sin. Zie Num. 20:1,14,16,22, onderscheiden, naar eniger gevoelen, van Kades Barnea; waarvan te zien is Num. 32:8; Deut. 1:19.20 land der Dat is, de inwoners van het land.21 Amalekieten, Een volk, afkomstig van Ezau, die dit land daarna bewoond hebben. Zie onder Gen. 36:12.22 Emorieter, Een der volken afkomstig van Kanaän; zie boven Gen. 10:16.23 Hazezon-thamar Hebr. Chatsatson, daarna genoemd Engedi; zie Joz. 15:62; 1 Sam. 24:1; 2 Kron. 20:2.Vers 8 Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,Vers 9 Tegen Kedor-laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.Vers 10 Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.24 vol lijmputten; Hebr. putten putten. Aldus wordt een woord bij de Hebreën tweemaal gesteld, om de veelheid van enig ding uit te drukken, 2 Kon. 3:16; Jer. 2:13.25 en vielen Een manier van spreken omtrent degenen, die omkomen in den slag, of anderszins, zie Joz. 8:24,25; Richt. 8:10; Richt. 12:6; 1 Kron. 21:14. De vallenden worden hier gesteld tegen de overgeblevenen. Anders, vielen daar in, of daar heen.Vers 11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.26 have Zie boven Gen. 12:5, en onder vs. 16,21.Vers 12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.27 want hij Namel. Lot; zie boven Gen. 13:12.Vers 13 Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreër, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.28 eikenbossen Zie boven Gen. 13:18.29 bondgenoten Hebr. Heeren des verbonds. Het woord BAAL betekent in het algemeen dengene, die wat heeft, of ook gebruikt, of die tot iets genegen is, enz. gelijk onder Gen. 37:19, Heer der dromen, die veel dromen heeft; en Gen. 49:23, Heeren der pijlen, die veel pijlen gebruiken; 2 Kon. 1:8. Heer van het haar, die veel van haar heeft; Spreuk. 29:22. Heer der vergrimming, die tot gramschap genegen is. Alhier, Heeren des verbonds; zijn degenen die een verbond met elkander hebben gesloten.Vers 14 Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.30 broeder Dat is, zijn neef, zijns broeders Harans zoon; zie boven Gen. 11:27.31 onderwezenen, Of, leerlingen. Het Hebr. woord betekent een, die van jongsaf in enig ding onderwezen is, zij in religie, krijgszaken, of in iets anders. Anders toegeëigenden van zijn huis.32 Dan toe. Een stad aan den voet van het gebergte Libanon en de noordelijke grens van het land Palestina, tevoren genoemd Leschem, Joz. 19:47, of Laïs, Richt. 18:27.Vers 15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.33 hij en zijn knechten, Mitsgaders het volk van Aner, Eskol en Mamre, die als bondgenoten met hem uitgetogen waren. Zie vs. 24.34 Damaskus. Dit is de wijdvermaarde hoofdstad in Syrië. Zie Jes. 7:8, Jes. 17:1; Jer. 49:25; Hand. 9:2.Vers 16 En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.Vers 17 En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.35 Schave, Zie boven vs. 5.36 het dal Aldus genoemd van wege deze geschiedenis. Zie ook van dit dal, 2 Sam. 18:18.