De toren van Babel
Vers 1 En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.1 de ganse aarde Alle bewoners der aarde, vóór en na den zondvloed, totdat deze verdeling der spraken geschied is.2 van enerlei Het wordt er voor gehouden, dat dit de Hebreeuwse spraak [die haar naam heeft van Heber] geweest is; onder anderen daarom, omdat de eigennamen der eerste mensen van Hebreeuwsen oorsprong zijn, als Adam, Heva, Kaïn, Habel, enz.3 spraak, Hebr. lip, gelijk in het volgende.Vers 2 Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.4 zij tegen Dit is vooral te verstaan van Chams nakomelingen en hun hoofd Nimrod. Zie boven Gen. 10:10.5 oosten Van de plaats waarheen zij eerst getogen waren, toen zij, om de grote menigte, zich wat moesten verspreiden van het gebergte Ararat, waar de ark rustte. Zie boven 8:4.6 in het land Waarin Babel gelegen was. Zie boven Gen. 10:10.Vers 3 En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.7 tichelen Of bakstenen maken, of bereiden.8 wel doorbranden. Hebr. branden met, of, tot branding; dat is, door het branden hard bakken.9 het lijm Een taaie stof, vaster klevende dan pek, overvloedig in die landen; zie onder Gen. 14:10. De geschiedschrijvers verhalen dat de muren van Babel hiervan gemetseld waren en zo hard geworden als ijzer.Vers 4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!10 opperste Hebr. Hoofd.11 in den hemel zij; Een manier van spreken, dienende tot zonderlinge vergroting; zie Deut. 1:28 en Deut. 9:1; Ps. 107:26; Matth. 11:23. Dit is een gans goddeloos en stout voornemen, alsof zij God en alle mensen ten trots, zulk een werk wilden maken, waardoor zij zich tegen alle geweld mochten verzekeren.12 de ganse aarde Hebr. het aangezicht der ganse aarde; zo ook onder vs. 8,9.Vers 5 Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.13 kwam de HEERE neder, Menselijk van den oneindigen en alwetenden God gesproken. De zin is: God wist en zag al hun vermetel en goddeloos bestaan, openbarende dat Hij zich bereidde ter straf.14 kinderen der mensen Zie boven Gen. 6:2.Vers 6 En de Heere zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?15 nu, Met deze manier van spreken wordt uitgedrukt Gods toorn, en zijn voornemen om dit werk te beletten.16 zou hun niet afgesneden worden Anders, hun zal niet afgesneden, of, belet worden, dat is, zij zullen met hun werk willen voortgaan.Vers 7 Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.17 laat ons nedervaren, Verg. boven 1, de eerst aantekening op vs. 26.18 hore. Dat is, versta; alzo wordt het woord horen voor verstaan genomen, onder Gen. 42:23; Deut. 28:49; 1 Kon. 3:9; Jer. 5:15; 1 Cor. 14:2.Vers 8 Alzo verstrooide hen de Heere van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.19 Alzo Wat zij meenden te voorkomen is hun door Gods rechtvaardig oordeel overkomen.Vers 9 Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de Heere de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de Heere over de ganse aarde.20 noemde Anders, noemde Hij, te weten God.21 Babel; Zie boven Gen. 10:10. Het woord betekent verwarring, of vermenging, of de verwarring is gekomen, of daarin is verwarring.