Het Evangelie maakt vrij van de wet
Vers 1 Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;1 ik zeg, Dat is, hetgeen ik gezegd heb, Gal. 3:24,25, dat de wet onze tuchtmeester is, verklaar ik nu met een andere gelijkenis ook van menselijke zaken genomen. Zie dergelijke 1 Cor. 5:6; 2 Cor. 9:6.2 een kind is, Dat is, nog onmondig is en minderjarig.3 niets van een Namelijk wat aangaat het tegenwoordig gebruik van het erfgoed, hetwelk hij alzo weinig mag aantasten en gebruiken als een dienstknecht, alzo hij hierin zijn eigen meester nog niet is, maar onder anderen staat.4 een heer is van alles; De eigendom van al het goed des erfdeels hem toebehoort.Vers 2 Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.5 onder voogden Dat is, onder de macht en het opzicht dergenen, die tot regering en verzorging zijner goederen gesteld zijn. Van deze woorden, zie Matth. 20:8; Luk. 12:42, en Luk. 16:1; 1 Cor. 4:1.6 tot den tijd De minderjarigheid heeft zijnen tijd in rechten gesteld, welke de vaders ook door hun testament kunnen verkorten of verlangen, naardat zij zullen goedvinden.Vers 3 Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.7 wij ook, Namelijk Joden, die nu leden van de gemeente van Christus zijn.8 toen wij kinderen Namelijk ten tijde des Ouden Testaments, voor de toekomst van Christus.9 dienstbaar gemaakt Dat is, onderworpen en schuldig te onderhouden.10 onder de eerste Grieks elementen; dat is onder de ceremoniën die in uiterlijke en aardse dingen bestaan, en gelijk als de eerste aanleiding en begin waren van de zaligmakende kennis. Zie Col. 2:8.Vers 4 Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;11 de volheid des tijds Dat is, de volwassene ouderdom der gemeente, om uit deze voogdij gesteld te worden. Of, als de tijd vervuld was, dien God bestemd had om Zijnen Zoon in de wereld te zenden.12 Zijn Zoon Namelijk Jezus Christus, die Gods Zoon van eeuwigheid is geweest, eer Hij mens is geworden; Ps. 2:7; Spreuk. 8:24; Micha 5:1; Hand. 13:33.13 geworden Anders, geboren.14 uit een vrouw, Dat is, uit het vlees en bloed der maagd Maria; Luk. 1:31, en Luk. 2:7.15 onder de wet; Dat is, Christus heeft Zichzelven, niet alleen aan de wet der ceremoniën onderworpen, maar ook aan de wet der zeden, die Hij volmaakt voor ons heeft onderhouden, en den vloek derzelve op zich genomen, en ons daarvan verlost; 2 Cor. 5:21.Vers 5 Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.16 degenen, die Dat is, die onder het juk waren van de wet der ceremoniën, en ook onder den vloek en de scherpe gehoorzaamheid van de wet der zeden, waar hij in Gal. 4ook van spreekt. Zie Gal. 4:21.17 verlossen zou, Grieks uitkopen; namelijk betalende voor hen een volkomen rantsoengeld voor hunne zonden. Zie Gal. 3:13.18 de aanneming Grieks stelling tot zonen. Daarom moest de Zoon Gods gezonden worden om ons te verlossen, opdat Hij het recht van zoonschap, hetwelk Hij van nature had, allen gelovigen, niet alleen zonen, maar ook dochters, 2 Cor. 6:18, zou verkrijgen en uit genade mededelen.Vers 6 En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!19 gij Namelijk gelovige Galaten, die tevoren heidenen waart.20 kinderen zijt, Namelijk Gods, door den Zoon Gods geworden, en om Zijnentwil van God tot kinderen aangenomen, die tevoren kinderen des toorns en vijanden Gods waart. Zie Rom. 5:10; Ef. 2:12, en nu het recht en de vrijheid geniet van Gods kinderen, gesteld buiten de voogdij der wet, en bevrijd van haar vloek.21 den Geest Zijns Dat is, den Heiligen Geest, die als een onderpand in uwe harten u verzekert van deze genadige aanneming tot kinderen, en van de erfenis die den kinderen toekomt; 2 Cor. 1:22, en 2 Cor. 5:5; Ef. 1:13.22 Die roept: Dat is, door welken wij roepen, Rom. 8:15. Dat is, die in ons werkt, dat wij vrijmoedig en met verzekering tot God roepen. Zie dergelijke wijze van spreken Rom. 8:26.23 Abba, Vader! Zie de verklaring hiervan op de aantekeningen Rom. 8:15.Vers 7 Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.24 gij zijt Namelijk die nu in Christus gelooft.25 niet meer Namelijk gelijk tevoren.26 een dienstknecht, Namelijk staande onder de voogdij en dienstbaarheid der wet.27 een zoon zijt, Namelijk Gods, die nu tot uwe jaren gekomen zijnde uit de voorzegde voogdij gesteld zijt.28 een erfgenaam Gods Zie van dit besluit Rom. 8:17.29 door Christus. Namelijk die ons deze erfenis verdiend en verkregen heeft, en wiens medeërfgenamen wij zullen zijn; Rom. 8:17.Vers 8 Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;30 als gij God Dat is, als gij nog in het heidendom waart en van den God geen kennis hadt.31 diendet gij Namelijk als slaven en dienstknechten der afgoden.32 degenen, Dat is, de afgoden.33 die van nature Dat is, waarlijk en wezenlijk, maar alleen naar het goeddunken door versiering der mensen; Jer. 10:11.Vers 9 En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?34 God kent, Dat is, den waren God, die van nature en naar zijn wezen God is.35 ja, veelmeer Dit doet de apostel daarbij, om aan te wijzen dat zij deze kennis niet hebben uit zichzelven, door kloekheid huns verstands, maar door de genade Gods, door welke Hij hun is voorgekomen en hen tot deze kennis gebracht heeft.36 gekend zijt, Namelijk voor de Zijnen. Zie Matth. 7:23; 2 Tim. 2:19. Dat is, die God uit enkel barmhartigheid verwaardigd heeft met Zijne kennis te verlichten. Zie ook 1 Cor. 8:3, en 1 Cor. 13:12.37 hoe keert gij u Dat is, wilt u niet keren.38 wederom Namelijk van de ene dienstbaarheid tot de andere; van de dienstbaarheid der afgoden tot de dienstbaarheid der ceremoniën.39 tot de zwakke Dat is, tot de ceremoniën en de leer der wet, die gene macht hebben om u daardoor te rechtvaardigen. Zie Hebr. 7:18,19.40 wederom Namelijk gelijk gij tevoren de afgoden diende.41 van voren aan Of, van boven af.42 wilt dienen? Dat is, tot dienstbaarheid derzelve u begeven, omdat gij namelijk de leer der valse apostelen wilt volgen.Vers 10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.43 Gij Hier verhaalt de apostel enige soorten van de voorzegde elementen of eerste beginselen, aangaande de onderhouding der Joodse feestdagen. Zie Rom. 14:5.44 onderhoudt Namelijk naar de wijze der Joden, om daarmede God dienst te doen en daardoor gerechtvaardigd te worden.45 dagen, en Dat is, de sabbaten, alle weken eens omkomende, Exod. 20:8; Col. 2:16. Namelijk voorzoveel die ceremonieel en den Joden eigen waren.46 maanden, en Dat is, de feesten der nieuwe maanden; Num. 28:11.47 tijden, en Dat is, de grote jaarlijkse feesten van pasen, pinksteren en loofhutten, Exod. 23:15,16, enz.48 jaren. Dat is, het zevende en ook het vijftigste jaar; Exod. 23:10; Lev. 25:4,6,10, enz.Vers 11 Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.49 tevergeefs aan Dat is, zonder vrucht; dat al mijn arbeid en moeite, die ik aangewend heb om u tot Christus te bekeren, vruchteloos zou zijn, en hun doel niet bereiken, hetwelk is uwe zaligheid, die gij niet zult kunnen verkrijgen, zo gij door de wet zoudt willen gerechtvaardigd worden.Vers 12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.50 als ik, want ook Namelijk die eertijds ook zeer geijverd heb voor de wet, maar daarna Christus recht kennende, al die uiterlijke ceremoniën verworpen en als schade geacht heb; Filipp. 3:7,8.51 ik ben als gij; Namelijk eertijds geweest, immers zozeer ijverende voor het Jodendom, als gij zoudt mogen doen, Gal. 1:14. Anderen verstaan dit van de goede genegenheid, die Paulus hun toedroeg; en dat hij hen hier vermaant dat zij hem gelijke genegenheid willen toedragen.52 ik bid u; Dat is, kan ik u met bestraffen niet bewegen, zo wordt dan bewogen door mijn vriendelijk bidden, dat gij bij de waarheid des Evangelies wilt blijven.53 mij geen ongelijk Dat is, wat mijn persoon aangaat, zo hebt gij mij geen oorzaak gegeven dat ik u uit verstoordheid of weerwraak zo scherpelijk zou bestraffen. En daarmede wil hij stilzwijgend aanwijzen, dat zij in deze Christus ongelijk deden.Vers 13 En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;54 gij weet, dat Dat is, het is zoverre vandaar, dat gij mij ongelijk zoudt gedaan hebben, dat, gelijk gij weet, gij mij, als ik het Evangelie bij u predikte, de meeste eer en liefde getoond hebt, die men zou kunnen doen.55 door zwakheid Dat is, in een nederigen en slechten staat zonder uiterlijken luister. Of, met vele verdrukkingen, smaadheden, moeite, haat en gevaren uiterlijk mij overgekomen. Zie 1 Cor. 2:3, en 2 Cor. 11:30, en 2 Cor. 12:9.56 de eerste maal Dat is, toen u, als gij nog heidenen waart, het Evangelie van mij eerst gepredikt is geweest. Zie Hand. 16:6, en Hand. 18:23.Vers 14 En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.57 mijn verzoeking, Of, beproeving, dat is, mijne verdrukkingen, die hij tevoren zwakheid genoemd heeft, waardoor God mijn geloof en getrouwheid heeft willen beproeven.58 die in mijn vlees Dat is, die mij uiterlijk aangedaan werd.59 niet veracht noch Grieks voor niet geacht.60 verfoeid; maar Grieks uitgespogen; dat is, daaraan hebt gij u niet gestoten, of daardoor zijt gij niet afgewend om het Evangelie niet aan te nemen, mijne leer te verachten of te verwerpen.61 als een engel Gods, Dat is, alsof ik een van de heilige engelen en dienstbare geesten ware geweest. Of, als een gezant Gods; want dat betekent ook het woord engel.62 ja, als Christus Dat is, niet als een dienaar van Christus, maar alsof ik de Heere zelf ware geweest. De apostel wil hiermede aanwijzen dat het grote schande voor de Galaten zou zijn, dat zij hem, dien zij tevoren zulk ene eer en liefde betoond hadden, zo lichtvaardiglijk zouden verlaten, en tot de valse apostelen vallen; dat zij dan in het vorige behoorden te volharden.Vers 15 Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.63 Welke was dan Dat is, hoe gelukkig achttet gij nu uzelven? Zie van dit woord Rom. 4:9.64 zo het mogelijk Namelijk dat men iemand met het uitgraven en geven van zijne ogen dienst zou kunnen doen.65 uw ogen zoudt Dat is, al wat gij allerliefst en aangenaamst hebt, zoudt gij mij gegeven hebben. Zie Matth. 5:29.Vers 16 Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?66 uw vijand geworden, Namelijk gelijk ik gelasterd word van de valse apostelen. Of, gelijk men zou menen dat deze scherpe bestraffing uit haat of vijandschap van mij zou gedaan zijn.67 u de waarheid zeggende? Namelijk tot uw best en zaligheid; want dit is een werk niet van vijanden, maar van vrienden. Zie Spreuk. 27:6.Vers 17 Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.68 Zij ijveren Dat is, de valse leraars, die u zoeken te verleiden, tonen wel alsof zij groten ijver hadden om u tot de zaligheid te brengen, of grote genegenheid tot u droegen.69 niet recht over u; Dat is, met geen waren, maar met een geveinsden ijver of genegenheid.70 ons Namelijk de rechte apostelen en leraars.71 uitsluiten, opdat gij Namelijk dat gij ons niet meer zoudt horen, volgen of aanhangen. Anderen lezen: u insluiten; dat is, u gelijk als in ene gevangenis sluiten, en hun onderwerpen.72 over hen zoudt ijveren. Dat is, hen met een ijver en grote genegenheid volgen en aanhangen.Vers 18 Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;73 in het goede Dat is, over een goede zaak; want daar is tweeërlei ijver, een goede ijver, die hier beschreven wordt, en een verkeerde, die geschiedt over een kwade zaak, die men meent goed te zijn, en die daarom met onverstand gemengd is. Zie Rom. 10:2.74 te allen tijd te Dat is, met een ijver, die altijd standvastig blijft en niet ophoudt.75 als ik bij u Namelijk toen gij met zulk een ijver en genegenheid ontstoken waart tegen mij en mijne leer, daarin behoordet gij gebleven te hebben, hoewel ik nu bij u niet ben.Vers 19 Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.76 Mijn kinderkens, Namelijk die ik door het Evangelie gebaard heb; 1 Cor. 4:15.77 die ik wederom Grieks van welken ik wederom in barensnood of pijn ben; dat is, die u eerst met veel moeite en arbeid bekeerd heeft uit het heidendom tot Christus, en over welken ik nu wederom groten arbeid en moeite zal moeten aanwenden, om u opnieuw van dezen uwe dwalingen te brengen.78 Christus Dat is, de zaligmakende kennis van Christus.79 een gestalte in u Dat is, gelijk een moeder haar kind zo lang draagt, totdat het een volmaakte gestalte heeft gekregen, en dan hetzelve baart; alzo zal ik niet ophouden te arbeiden, totdat gij in de rechte kennis van Christus zult bevestigd zijn.