Advertentie

Galaten 2:1-10

10 verzen · 50 kanttekeningen · Statenvertaling

Paulus' ambt te Jeruzalem erkend

Vers 1 Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.1 na veertien jaren, Namelijk boven de drie jaren, die hij in Arabië geweest is, Gal. 1:18, zijnde zeventien jaren na zijne bekering, en het een en vijftigste jaar na Christus' geboorte.2 wederom naar Jeruzalem De apostel is na zijne bekering ettelijke malen naar Jeruzalem gegaan; eerst als hij weder uit Arabië na drie jaren gekomen was, Hand. 9:26; Gal. 1:18; daarna brengende met Barnabas de collecte te Jeruzalem, Hand. 11:30 en Hand. 12:25, en als hij van de gemeente van Antiochië gezonden werd met Barnabas tot de synode van Jeruzalem Hand. 15:2, wederom Hand. 18:18, en eindelijk om der belofte wil, en om de collecte daar te brengen, wanneer hij daar gevangen werd, Hand. 21:15. Het schijnt dat de apostel hier spreekt van de reis, als hij naar de synode werd gezonden, die gehouden is in het zeventiende jaar na zijne bekering.3 opgegaan met Zo spreekt de Schrift, als men naar Jeruzalem toe reist, omdat het in de hoogte op bergen lag; gelijk daarentegen die van Jeruzalem kwamen, worden gezegd af te komen of te gaan. Zie Mark. 3:22; Hand. 18:22.4 Titus medegenomen Zie van hem Tit. 1:3. Deze schijnt hij medegenomen te hebben nog onbesneden zijnde, om alzo voor de valse broeders in hem te tonen de vrijheid van de wet der ceremoniën.Vers 2 En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.5 door een openbaring, Namelijk Gods, die door zijnen Geest en in gezichten Paulus alleszins openbaarde, waar Hij zijn dienst wilde gebruiken. Zie Hand. 13:2, en Hand. 16:7,10, en Hand. 18:9, en Hand. 19:21, en Hand. 22:17, en Hand. 23:11.6 stelde Het Griekse woord betekent iemand enige zaak met onderlinge samenreding verhalen.7 hun het Evangelie Namelijk den apostelen en leraars, die te Jeruzalem waren. Dit geschiedde in het openbaar voor allen.8 in het bijzonder Namelijk om alzo te beter gelegenheid te hebben, om mijne leer van mij te verstaan en hunne overeenstemming met mij te betuigen.9 in achting waren, Namelijk van wege hunne gaven en aanzien in de gemeente, ouderdom, of, anderszins; en dienvolgens de bekwaamste waren om daarvan te oordelen. Deze worden genoemd Gal. 2:9.10 tevergeefs zou Dat is, zonder vrucht te doen onder de heidenen, hetwelk zou geschied zijn, indien hij de lasteringen der valse broeders hiermede niet had wederlegd en teniet gedaan.11 lopen of Dat is, den dienst des Evangelies volbrengen; ene gelijkenis van dergenen, die om strijd lopen in een loopbaan, om den prijs te winnen; 2 Tim. 4:7.Vers 3 Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.12 een Griek zijnde, Dat is, van heidense ouders geboren en onbesneden.13 genoodzaakt zich Namelijk door de apostelen, die te Jeruzalem waren, alzo zij ook verstonden dat de besnijdenis nu afgedaan was. Doch waarom evenwel Paulus Timotheüs heeft laten besnijden, zie Hand. 16:3.Vers 4 En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.14 En dat om De apostel geeft hier reden, waarom hij Titus niet wilde laten besnijden, opdat de valse broeders, die de besnijdenis nog nodig hielden ter zaligheid, Hand. 15:1, in hunne dwaling niet zouden gestijfd, maar met de Christelijke vrijheid te beter bekend worden.15 ingekropen Dat is, die zich met bedrog en veinzing tot de gemeente der gelovigen begeven hadden.16 valse broederen Dat is, dragende wel den naam van broeders en gelovigen, maar inderdaad zijnde vijanden van de zaligmakende leer.17 van bezijden Dat is, met geveinsde nederigheid en belijdenis bedektelijk ingeslopen in de gemeente.18 verspieden Namelijk ten kwade, om heimelijk te vernemen of zij niet enige oorzaak zouden kunnen vinden, om ons te lasteren.19 onze vrijheid, Namelijk van de wet der ceremoniën, waaronder ook de besnijdenis was, om daaruit oorzaak te nemen van ons te lasteren.20 in Christus Jezus Dat is, door Christus ons verkregen, als hetgeen door de ceremoniën afgebeeld was, in Hem en door Hem vervuld is; Col. 2:17.21 tot dienstbaarheid Dat is, dat wij de Christelijke vrijheid verlatende, van het juk der ceremoniën, als ter zaligheid nodig, zouden onderwerpen.Vers 5 Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.22 niet een uur Den zwakken Joden hebben de apostelen een tijdlang toegegeven in het onderhouden der ceremoniën, om hen te gewinnen, 1 Cor. 9:20,22, en allengskens te brengen tot kennis van de Christelijke vrijheid; maar dezen valsen broeders hebben zij den minsten tijd niet willen ontwijken of toegeven, om hen in hunne dwalingen en hardnekkigheid niet te stijven.23 geweken Ene gelijkenis, genomen van kampvechters of worstelaars, die hunne partij sterkelijk wederstaan en niet wijken. Zie de waarheid van dit zeggen Hand. 15:1,2, enz.24 met onderwerping, Dat is, dat wij hun zouden onderdanig zijn, of ons hun onderwerpen in het onderhouden der ceremoniën.25 opdat de waarheid Dat is, dit hebben wij niet gedaan uit hardnekkigheid of twistgierigheid, maar om de zuiverheid van de leer des Evangelies tegen hen te verdedigen en staande te houden in de gemeenten, voornamelijk van Galatië.Vers 6 En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht.26 degenen, die Dat is, de andere apostelen, die met rechten bij de gemeenten in grote achting zijn.27 hoedanigen zij Dat is, wat zij geweest zijn eer zij tot apostelen geroepen waren. Of, wat voordelen zij voor mij gehad hebben, eer ik tot een apostel ben geroepen geweest.28 verschilt mij niet; Dat is, daar is mij niet aan gelegen. Of, daar zie ik niet op. Of, dat verschilt niet van mijn doen en leren.29 God neemt den Van deze wijze van spreken, zie Matth. 22:16; Hand. 10:34. Dat is, in zaken van waarheid ziet God niet op enige uiterlijke voordelen of aanzien dergenen, die de waarheid leren, maar alleen op de zaak zelve.30 hebben mij niets Namelijk aangaande de leer des Evangelies, dat ik van hen iets zou geleerd hebben, hetwelk mij de Heere Christus zelf niet zou geopenbaard hebben.Vers 7 Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;31 daarentegen, Dat is, zij hebben niet alleen in mijne leer niets berispt, maar ook daarentegen die voor goed en oprecht gekend.32 zij zagen, dat Dat is, bekenden, verstonden; gelijk Gal. 2:9.33 der voorhuid Dat is, der heidenen die onbesneden zijn, Gal. 2:8. Zie Rom. 2:26, en Rom. 3:30, en Rom. 4:12. Namelijk om hetzelve voornamelijk onder hen te prediken.34 toebetrouwd was, Namelijk van Christus zelf en God den Vader; gelijk Gal. 1:1.35 der besnijdenis; Dat is, der besneden Joden, om hetzelve onder hen te prediken. Zie Rom. 3:30, en Rom. 15:8.Vers 8 (Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);36 (Want De apostel wijst hier aan waaruit de apostelen gezien en bekend hebben, dat hem het Evangelie was toevertrouwd, namelijk uit de krachtige werking Gods door zijne predikatie tot bekering der heidenen.37 Die in Petrus Namelijk de Heere Christus, die den dienst van Petrus vergezelschapt heeft met de krachtige werking Zijns Geestes.38 in mij Of, door mij, dat is, door mijn dienst.39 onder de heidenen); Namelijk tot hunne bekering.Vers 9 En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter hand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;40 Jakobus, en Zie van hem Gal. 1:19.41 Cefas, en Dat is, Petrus. Zie van dezen naam Matth. 16:18, en Joh. 1:43.42 Johannes, die Namelijk de zoon van Zebedeüs, een broeder van Jakobus den Grote, die van Herodes is onthalsd; Hand. 12.Zie van hem Matth. 4:21, en Matth. 10:2, en Matth. 17:1.43 pilaren te zijn, Namelijk zo van het gezelschap der apostelen, als der gemeente, omdat zij door hun dienst de waarheid van het Evangelie standvastig voorstonden en staande hielden, en in het bijzonder in groot aanzien waren bij de gemeente, als een sieraad derzelve. Zie Jer. 1:18, Openb. 3:12.44 de genade, die Namelijk des apostelschaps, Rom. 1:4. Of de werken en vruchten der genade. Of, de gaven, als daar waren met vreemde talen te spreken, profetie, wonderwerken en dergelijke.45 de rechter hand Namelijk tot een teken en verzekering dat zij erkenden, dat wij met hem gemeenschap hadden, zo in den dienst van het apostelschap, als in de zuiverheid van de leer des Evangelies.46 wij tot de heidenen, Namelijk ik en Barnabas.47 zij tot Namelijk Petrus en de andere twee apostelen.48 de besnijdenis Dat is, tot de besneden Joden. Zie Gal. 2:7.Vers 10 Alleenlijk, dat wij den armen zouden gedenken; hetwelk zelf ik ook benaarstigd heb te doen.49 den armen zouden Namelijk om voor hen ene collecte onder de gemeente uit de heidenen te verzorgen.50 benaarstigd Dit blijkt doorgaans ook in zijne zendbrieven, en voornamelijk Rom. 15:27; 1 Cor. 16:1; 2 Cor. 9:1.

Lees heel Galaten 2

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.