De tijding van Jeruzalems verwoesting
Vers 21 En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.33 onzer gevankelijke wegvoering, Met Jojachin of Jechonia. Vergelijk boven Ezech. 1:2, en Ezech. 24:1, en onder Ezech. 40:1; Jer. 29:10, met de aantekening.34 tiende maand, In het kerkelijk jaar genoemd Tebeth, passende op onzen December en Januari; nadat Jeruzalem op den negenden van de vierde maand van het vorige jaar door den koning van Babel, in het negentiende jaar zijner regering, was gewonnen, en zijn overste Nebuzaradan op den zevenden van de vijfde maand daar binnen was getogen; 2 Kon. 25:3,8; Jer. 39:2.35 tot mij kwam, Volgens Gods voorzegging, boven Ezech. 24:26.36 stad is geslagen. Jeruzalem is ingenomen en verwoest, en velen der inwoners zijn omgebracht; alzo 1 Sam. 30:1; 2 Sam. 15:14; 2 Kon. 3:19; 1 Kron. 20:1, en onder Ezech. 40:1; vergelijk Jer. 43:11, en Jer. 46:13, en Jer. 47:1, enz.Vers 22 Nu was de hand des Heeren op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.37 hand des HEEREN op mij geweest des avonds, Zie boven Ezech. 1:3.38 hij des morgens De voorzegde boodschapper.39 stom. Gelijk hem ook van den Heere was voorzegd, boven Ezech. 24:27; vergelijk Ezech. 3:26, met de aantekening.Vers 23 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:Vers 24 Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israëls spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.40 inwoners van die woeste plaatsen Die overgebleven zijn in het verwoeste Kanaän, nadat Jeruzalem verheerd, het meeste volk weggevoerd en het land verwoest was door de Babyloniërs.41 enig man, Alsof zij zeiden: God heeft Abraham dit land niet beloofd om zijnentwil, want hij had zo groot land niet van node, en heeft het ook nooit geheel bewoond, maar om zijne kinderen en nakomelingen, die wij nu zijn. [Vergelijk Jes. 51:2; Joh. 8:33, enz.] En of wij nu wel minder zijn in getal dan tevoren, evenwel zijn wij de rechte erfgenamen en zullen er wel inblijven. Zo vertwijfeld hardnekkig waren deze mensen, niettegenstaande zij Gods straffende hand voor ogen zagen.Vers 25 Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere Heere: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?42 Gij eet vlees Of, zoudt gij, enz. of omdat gij bloed eet, en zo in de volgende woorden.43 bloed, Tegen de wet; Gen. 9:4; Lev. 7:26, en Lev. 17:10, en Lev. 19:26; Deut. 12:16.44 heft uw ogen op tot uw drekgoden, Zie boven Ezech. 18:6.45 en zoudt gij het land erfelijk bezitten? Geenszins, wil God zeggen: Ik heb u het land beloofd met voorwaarde van gehoorzaamheid, maar uwe ongehoorzaamheid is openbaar, gelijk het voorgaande en volgende uitwijst.Vers 26 Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?46 staat op ulieder zwaard; Of, hebt gestaan; dat is, vertrouwd op uwe strijdbaarheid, menende u daardoor in het land staande te houden; of gij zijt steeds gereed met uwe zwaarden, als degenen, die hunne naasten geweld willen aandoen; vergelijk de manier van spreken met boven Ezech. 31:14.47 verontreinigt, Door onkuisheid en overspel.Vers 27 Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere Heere zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!48 Zo waarachtig als Ik leef, Manier van eedzweren, gelijk boven Ezech. 33:11.49 open veld is, Hebreeuws, aangezicht des velds.50 spelonken zijn, Waar zij zich menen te bergen en te verzekeren; zie Richt. 6:2, met de aantekening.Vers 28 Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israëls zullen woest zijn, dat er niemand overga.51 verwoesting en een schrik stellen, Of, tot de uiterste, of tot enkel verwoesting, of ontzetting. Of tot verwoestingen, of ja verwoesting; alzo het Hebreeuwse woord de betekenis heeft van verwoesten, en zich ontzetten, schrikken; alzo onder Ezech. 35:3,7.52 bergen Israëls Israëls bergachtig land.Vers 29 Dan zullen zij weten, dat Ik de Heere ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.Vers 30 En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den Heere voortkomt.53 wanden en in de deuren der huizen; Gelijk naburen, aan de wanden der huizen en in de deuren, met elkander een praatje plegen te houden.Vers 31 En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.54 pleegt te komen, Met menigte in de heilige vergaderingen om Gods woord te horen. Hebreeuws, gelijk de inkomst des volks.55 zitten voor uw aangezicht Vergelijk boven Ezech. 8:1.56 maken liefkozingen met hun mond, Dat is, zij vleien u, roemende uwe profetieën met huichelachtige gemaakte gebaren, vanwege derzelver sierlijkheid, alsof zij zeiden: Ei, o, hoe schoon, hoe fraai spreekt hij, enz. Anders: zij maken dezelve [woorden] lieflijk met hunnen mond; dat is, zij bekennen met den mond dat uwe woorden lieflijk zijn, maar enz., de zin op een uitkomende.Vers 32 En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.57 lied der minnen, Of, boelenlied, dat lieflijk luidt, of vol lieflijkheid is.58 speelt; Op instrumenten van muziek, gelijk Ps. 33:3.Vers 33 Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.59 komt (zie, het zal komen!) Dat gij hun van mijnentwege hebt geprofeteerd.60 profeet Een waarachtig profeet van God gezonden.