Klaaglied over Faraö, koning van Egypte
Vers 1 Het gebeurde ook in het twaalfde jaar, in de twaalfde maand op den eersten der maand, dat het woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende:1 twaalfde jaar, Na Jojachins wegvoering, boven Ezech. 1:2.Vers 2 Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeën, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren.2 klaaglied op over Farao, Gelijk onder Ezech. 32:16.3 waart een jongen leeuw Eer uwe macht verminderd was; zie boven Ezech. 30:21.4 onder de heidenen Hebreeuws, der heidenen, of natiën, dat is, gij waart onder of tegen hen als een jonge leeuw, fier en wreed. Vergelijk boven Ezech. 19:2, enz.5 zeedraak in de zeeën, Gelijk boven Ezech. 29:3; dat is, gij waart wreed, vreselijk en woelende te land en te water.6 braakt voort Gij deedt u hiervoor en snoefdet met uw koninkrijk als zijnde machtig en rijk door goede gelegenheid van wateren.7 in uw rivieren, Of, met.8 beroerdet het water Of, vertraptet het water, te weten van andere volken; dat is, hun land en handelingen, gij hebt u overal in gestoken, en andere volken beroerd, die opruiende tot rebellie, en hen daarin stijvende.Vers 3 Alzo zegt de Heere Heere: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.9 net over u uitspreiden Zie boven Ezech. 12:13, en Ezech. 17:20; Hos. 7:12, met de aantekening.10 vele volken; Die in het krijgsheir der Babyloniërs zullen zijn.11 Mijn garen. Of, met mijn garen, dat Ik over u uitgespreid heb om u te vangen.Vers 4 Dan zal Ik u laten op het land, Ik zal u henenwerpen op het open veld; en Ik zal al het gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der ganse aarde van u verzadigen.12 laten op het land, Vergelijk boven Ezech. 29:5, met de aantekening.13 open veld; Hebreeuws, aangezicht des velds.14 het gedierte der ganse aarde van u verzadigen. Vergelijk onder Ezech. 39:17, enz.Vers 5 En Ik zal uw vlees henengeven op de bergen, en de dalen met uw hoogheid vervullen.15 hoogheid vervullen. Dit kan men verstaan van Farao zelf in zijn hoogmoed, vergeleken bij het grote lichaam van een zeedraak, Ezech. 32:2, of [gelijk anderen] zijn verslagen menigte, waarin hij zijne hoogheid tevoren stelde.Vers 6 En Ik zal het land, waarin gij zwemt, van uw bloed drenken tot aan de bergen; en de stromen zullen van u vervuld worden.16 zwemt, Met uwe regering nu zo heerst, als een zeedraak in zee.17 uw bloed Van uw eigen en van uw verslagen volk.18 drenken tot aan de bergen; Of, te drinken geven.Vers 7 En als Ik u zal uitblussen, zal Ik den hemel bedekken, en zijn sterren zwart maken; Ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten.19 uitblussen, Gelijk men een kaars, lamp, of vuur uitblust; vergelijk Job 18:5,6, met de aantekening; idem, 2 Sam. 14:7, en 2 Sam. 21:17.20 bedekken, Dat is, de wereld door dit mijn oordeel met schrik vervullen, en alles als in rouw zetten; vergelijk Jes. 13:10; Joël. 2:30,31, en boven Ezech. 31:15; idem Gen. 15:12, met de aantekening.Vers 8 Alle lichtende lichten aan den hemel, die zal Ik om uwentwil zwart maken; en Ik zal een duisternis over uw land maken, spreekt de Heere Heere.21 lichtende lichten aan den hemel, Hebreeuws, lichten des lichts.22 maken, spreekt de Heere HEERE. Of, brengen. Hebreeuws, geven, stellen.Vers 9 Daartoe zal Ik het hart van vele volken verdrietig maken, als Ik uw verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen, die gij niet gekend hebt.23 verdrietig maken, Of, onlustig, pijnlijk, door de tijding van den val van dezen groten koning, en integendeel van de verheffing en grootheid van de Babyloniërs. Het Hebreeuwse woord [anders toorn betekenende] wordt ook voor verdriet, pijnlijkheid, treurigheid, onlust genomen, Ps. 6:8, en Ps. 10:14, en Ps. 31:10; Pred. 7:3; Jer. 7:19.24 verbreking onder de heidenen zal brengen Zie Jer. 4:6; dat is, hier, de tijding van uw ondergang.Vers 10 En Ik zal maken, dat zich vele volken over u ontzetten, en hun koningen zullen de haren over u te berge staan, als Ik Mijn zwaard zal zwaaien voor hun aangezichten; en zij zullen elk ogenblik sidderen, een ieder voor zijn ziel, ten dage uws vals.25 haren over u te berge staan, Gelijk boven Ezech. 27:35.26 Mijn zwaard Gelijk boven Ezech. 30:24.27 zwaaien Of, zwingen, u door mijn zwaard slaande en nedervellende als voor hunne ogen, hetwelk hun een groten schrik zal aanbrengen, gelijk volgt.28 elk ogenblik sidderen, Hebreeuws, zullen in ogenblikken.29 ziel, Dat is, leven, of persoon, voor zichzelven; vrezende dat het hen of hun leven ook gelden zal; zie Gen. 19:17, en Gen. 12:5.Vers 11 Want zo zegt de Heere Heere: Het zwaard des konings van Babel zal u overkomen.Vers 12 Ik zal uw menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de tirannigste der heidenen zijn; die zullen de hovaardij van Egypte verstoren, en haar ganse menigte zal verdelgd worden.30 menigte vellen Vergelijk boven Ezech. 29:19.31 tirannigste der heidenen zijn; Gelijk boven Ezech. 28:7.32 hovaardij van Egypte Of, pracht, heerlijkheid, uitnemendheid, gelijk boven dikwijls.Vers 13 En Ik zal haar beesten verdoen van bij de grote wateren; en geen mensenvoet zal ze meer beroeren, en geen beestenklauwen zullen ze beroeren.33 beesten verdoen Hebreeuws, beest, of groot vee, zodat er geen meer aan de grote wateren zullen gaan weiden.34 mensenvoet Vergelijk boven Ezech. 29:11.35 zal ze meer beroeren, De wateren. Vergelijk boven Ezech. 32:2.Vers 14 Dan zal Ik hunlieder wateren doen zinken, en Ik zal hunlieder rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heere Heere:36 hun wateren Der andere volken, die van Farao beroerd waren, boven Ezech. 32:2.37 zinken, Dat is, Ik zal de beroerten stillen en de landen in rust brengen, als Ik dit woelwater zal hebben uitgeroeid, gelijk de wateren bestillen en zacht en klaar gaan als het onweder over en de beroerde vuiligheid nedergezonken is. Vergelijk onder Ezech. 34:18.Vers 15 Als Ik Egypteland zal hebben gesteld tot een verwoesting, en het land van zijn volheid zal woest zijn geworden, als Ik geslagen zal hebben allen, die daarin wonen; alzo zullen zij weten, dat Ik de Heere ben.38 woest zijn geworden, Dat is, ontbloot van alles, waarmede het van God tevoren vervuld en versierd was. Vergelijk boven Ezech. 19:7.Vers 16 Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen; de dochteren der heidenen zullen het klagelijk zingen; zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over haar ganse menigte, spreekt de Heere Heere.39 Dat is het klaaglied, In het voorgaande verhaald; zie boven Ezech. 32:2.40 zingen; Het woord zingen is in de zaak zelve ingesloten, [zie 2 Kron. 35:25], gelijk het voorgaande Hebreeuwse woord ook een klaaglied betekent, waarvan de klaagliederen van Jeremia den titel voeren.41 dochteren der heidenen Gelijk de vrouwen te dien tijde plachten triomf- en klaagliederen te zingen; zie Jer. 9:17.