Profetie tegen de Ammonieten
Vers 1 En des Heeren woord geschiedde tot mij, zeggende:Vers 2 Mensenkind! zet uw aangezicht tegen de kinderen Ammons, en profeteer tegen dezelve;1 zet uw aangezicht Zie boven Ezech. 6:2.2 kinderen Ammons, Zie Jer. 49:1, enz., en boven Ezech. 21:28, enz. Ammonieten, Moabieten, Edomieten en Filistijnen waren alle vijanden van Gods volk; Ammon en Moab, in het oosten over de Jordaan, Edom in het zuiden, de Filistijnen in het westen langs de Middellandse zee.Vers 3 En zeg tot de kinderen Ammons: Hoort des Heeren Heeren woord: Alzo zegt de Heere Heere: Omdat gij gezegd hebt: Heah! over Mijn heiligdom, als het ontheiligd werd, en over het land Israëls, als het verwoest werd, en over het huis van Juda, als zij in gevangenis gingen;3 Heah! Dat is, uwen lust daarin geschept en daarover gejuicht hebt. Zie Job 39:28; Ps. 35:21, met de aantekening; alzo onder Ezech. 26:2.4 ontheiligd werd, Gelijk boven Ezech. 24:21.Vers 4 Daarom, ziet, Ik zal u aan die van het oosten overgeven tot een bezitting, dat zij hun burgen in u zetten, en hun woningen in u stellen, die zullen uw vruchten eten, en die zullen uw melk drinken.5 die van het oosten Hebreeuws, de kinderen van het oosten. Hierdoor verstaan sommigen de Chaldeën of Babyloniërs; maar omdat de Heilige Schrift doorgaans zegt dat de Chaldeën van het noorden zouden komen, zo verstaan het anderen van de oosterse natiën, die oostwaarts aan Ammon grensden, als de Arabieren, die zich in tenten onthielden, Kedarenen, enz., hebbende menigte van kemelen en vee, genegen om goede weiden te zoeken, en in de Schriftuur onder die van het oosten gemeenlijk begrepen. Deze [zovelen als er van Nebukadnezar waren overgelaten of overzien] zouden het land der Ammonieten, van de Chaldeën verstoord en de inwoners weggevoerd zijnde, tot gerief voor hun vee hebben ingenomen en bezeten. Zie Gen. 29:1; Richt. 6:3, en Richt. 8:11; Job 1:3; Jes. 60:6,7; Jer. 49:28,29,31,32, met de aantekening.6 burgen in u zetten Of, sloten, paleizen, statelijke gebouwen, prachtige huizen.Vers 5 En Ik zal Rabba tot een kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot een schaapskooi; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.7 Rabba De koninklijke hoofdstad der Ammonieten. Zie 2 Sam. 11:1.8 kemelstal maken, Voor de kemelen van die van het Oosten.9 de kinderen Ammons Dat is, hun land.10 schaapskooi; Voor de schapen van die van het Oosten.Vers 6 Want alzo zegt de Heere Heere: Omdat gij met de hand geklapt, en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uw plundering, over het land Israëls;11 geklapt, Van grote vreugde en vermaak over de ellenden der Joden, alsof zij zeiden: Heah, zo zo, dat is toch te goed, dat gaat wel; vergelijk Ezech. 25:3, en boven Ezech. 6:11.12 van harte verblijd zijt geweest Of, met lust. Zie Ps. 27:12. Alzo Ezech. 25:15. Of aldus: En verblijd zijt geweest in al uw gretige plundering. Hebreeuws, in, of met de ziel. Vergelijk onder Ezech. 36:5.13 plundering, Of, spijt; idem, versmading; gelijk boven Ezech. 16:57, en onder Ezech. 25:15.Vers 7 Daarom, ziet, Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken, en u den heidenen ten buit geven, en zal u uit de volken uitroeien, en u uit de landen verdoen; Ik zal u verdelgen; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.14 uitstrekken, Zie boven Ezech. 14:9. Alzo onder Ezech. 25:3,16.15 uit de volken uitroeien, Dat gij voor geen volk noch land meer zult gerekend worden.