Advertentie

Ezechiël 14:1-11

11 verzen · 31 kanttekeningen · Statenvertaling

Straf over de afgodendienaars

Vers 1 Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israël, en zaten neder voor mijn aangezicht.1 oudsten van Israël, Dat is, regeerders en hoofden der gemeente, die in Chaldea woonden; zie Exod. 3:16, en Lev. 4:15.2 zaten neder voor mijn aangezicht. Te weten om door de profeet God raad te vragen van den toekomenden stand van zijn volk, zowel in Jeruzalem als daar in Chaldea; zie het volgende Ezech. 14:3; vergelijk boven Ezech. 8:1, en onder Ezech. 20:1.Vers 2 Toen geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:Vers 3 Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?3 opgezet, Dat is, hebben zij in hun gemoed de hoogste plaats gegeven [gelijk zij ook buiten het hart op hoogten plegen opgericht te worden] zodat zij hen boven alle andere dingen, ja ook boven mij hoogachten en vereren; alzo in het volgende.4 den aanstoot Versta, de afgoden. Want als zij dezen voor hunne aangezichten oprichtten tegen Gods bevel, zo zijn zij hun een oorzaak geweest van veelszins tegen God te zondigen en tot vele gruwelen te vervallen; alzo in het volgende. Idem alzo worden de afgoden een strik genaamd; Exod. 23:33; Deut. 7:16; Richt. 2:3.5 ernstiglijk van hen gevraagd? Hebreeuws, gevraagd zijnde gevraagd; dat is, met ernst of oprecht. Hij wil zeggen: Neen. Dit kan tezamen niet bestaan, dat men de afgoden zou aanhangen, en evenwel de waren God om raad vragen. Anders: zou Ik enigszins van hen gevraagd worden? Dat is, Ik begeer van zulk een volk niet gevraagd te zijn. De Heere werd om raad gevraagd gewoonlijk door den hogepriester met den efod bekleed zijnde. Zie Num. 27:21, en de aantekening. Richt. 1:1, of door een profeet, 1 Sam. 23:2,6, en 1 Sam. 28:6; 2 Sam. 2:1; 2 Kron. 18:7.Vers 4 Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere Heere: Een ieder man uit het huis Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de Heere zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;6 Een ieder man Hebreeuws, man, man; dat is, een ieder. Zie Lev. 15:2; alzo onder Ezech. 14:7.7 Israëls, Dat is, Juda. Zie boven Ezech. 6:2. Versta, de Joden, die daar in Chaldea woonden.8 komt tot den profeet, Te weten om door hem God raad te vragen.9 zal hem, Of, heb hem geantwoord.10 als hij komt, Anders: in dien [tijd].11 naar de menigte zijner drekgoden; Dat is, Ik zal hen antwoorden, niet wat zij gaarne houden zouden, maar gelijk hun grote en menigerlei afgoderij verdiend heeft. Anders: van de menigte zijner drekgoden; dat is, Ik zal hen anders niet antwoorden, dan wat aangaat eensdeels de menigvuldigheid hunner afgoderij, anderdeels de straffen, die zij daardoor verdiend hebben.Vers 5 Opdat Ik het huis Israëls in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.12 in hun hart grijpe, Dat is, Ik zal hen zo antwoorden, dat Ik in het licht brengen zal wat in hun hart verborgen was. Want zij willen zich als godvruchtigen uitgeven, als zij komen om mij raad te vragen, maar Ik zal met mijne antwoorden ontdekken de goddeloosheid, die in hun hart schuilt.Vers 6 Daarom zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere Heere: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.13 aangezichten af Versta onder dit woord ook de harten, zonder welker afkering de aangezichten kwalijk afgekeerd kunnen worden. Dit is het tegendeel van den aanstoot recht voor zijn aangezicht te stellen, boven Ezech. 14:3.14 al uw gruwelen. Dat is, niet alleen van uwe afgoderij en zonden, begaan tegen de eerste tafel, maar ook van al uwe schelmerijen, bedreven tegen de tweede tafel der wet.Vers 7 Want ieder man uit het huis Israëls, en uit den vreemdeling, die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de Heere, hem zal geantwoord worden door Mij;15 ieder man uit het huis Israëls, Hebreeuws, man man, gelijk boven Ezech. 14:4.16 den vreemdeling, Dat is, den Jodengenoot, die zodanig geworden was, òf te voren in Judea, òf daarna in Chaldea, hebbende aangenomen den godsdienst der Joden, met de onderhouding van zijne ceremoniën. Zie van zulke vreemdelingen Lev. 17:8, en Lev. 25:35.17 stelt den aanstoot Zie boven Ezech. 14:4.18 om Mij door hem te vragen; Anders: om aan, of van hem mij aangaande te vragen.19 door Mij; Dat is, niet alleen door den profeet, dien hij vraagt, maar door of van mijzelven, die hem antwoorden zal, niet zozeer met woorden als met slagen en straffen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.Vers 8 En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere ben.20 zal Mijn aangezicht Zie Lev. 17:10.21 een teken Te weten van mijn rechtvaardige wraak tegen de huichelaars. Want Ik zal met die in het straffen zo vreeslijk en zeldzaam omgaan, dat een ieder daarover verschrikt zal zijn als over een openbaar teken mijner wraak, een ieder door mij voorgesteld tot zijne waarschuwing. Vergelijk Deut. 28:46. Anders: zal hem verwoesten tot een teken; dat is, dat hij tot een teken zij, enz.22 tot spreekwoorden, Zie Deut. 28:37; Job 17:6; zie ook 1 Kon. 9:7,8; 2 Kron. 7:20,21; Ps. 44:14,15, en Ps. 69:12; Jer. 24:9; Hab. 2:6.23 uitroeien Zie Lev. 20:3.Vers 9 Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de Heere, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.24 overreed zal zijn, Te weten van de huichelaars, die hun raad vragen en begeren dat hun wat goeds geprofeteerd worde. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14:15.25 iets gesproken zal hebben, Te weten dat de vrager gaarne hoort, maar vals is.26 overreed, Te weten niet met den profeet enig kwaad in te geven, maar met de huichelarij des vragers door des profeten lichtvaardigheid en gierigheid, die van den profeet en den satan komen, rechtvaardiglijk te straffen; vergelijk 2 Sam. 11:12; 1 Kon. 12:15 en 1 Kon. 22:22; Jer. 4:10 met de aantekening; idem 2 Thess. 2:11,12.27 Mijn hand Te weten tegen dien profeet, om hem te straffen; alzo Exod. 7:5, Jes. 5:25; Jer. 15:6; onder Ezech. 14:13 en Ezech. 25:7, enz.Vers 10 En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;28 hun ongerechtigheid dragen; Het Hebreeuwse woord betekent hier de straf, die door de ongerechtigheid en misdaad verdiend is. Zie Lev. 5:1.Vers 11 Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere Heere.29 overtredingen; Welke meermalen onreinheden in de Heilige Schrift genoemd worden, gelijk Ezra 9:11, onder Ezech. 24:13, en Ezech. 36:17, en Ezech. 39:24; 1 Thess. 4:7; Jak. 1:21.30 tot een volk zijn, Zie Lev. 26:12.31 tot een God zijn, Zie Gen. 17:7.

Lees heel Ezechiël 14

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.