Advertentie

Ezechiël 12:1-20

20 verzen · 57 kanttekeningen · Statenvertaling

Ezechiël stelt de wegvoering van Zedekía voor

Vers 1 Verder geschiedde des Heeren woord tot mij, zeggende:Vers 2 Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.1 woont in het midden Te weten in Chaldea onder de Joden, die met den koning Jojachin uit hun vaderland in Babylonië weggevoerd waren, onder wie, hoewel God de zijnen had, boven Ezech. 11:16,17, enz.; nochtans blijkt uit deze plaats, dat velen hunner ongelovigen en moedwilligen waren.2 een wederspannig huis, Zie boven Ezech. 2:5; alzo in het volgende.3 niet zien, Te weten inwendiglijk door den geest, om te bemerken welke straffen zij zelf geleden hebben en anderen nog te verwachten stonden, ten einde zij zich bekeren zouden. Vergelijk Jes. 6:9, en Jes. 42:18.4 niet horen, Dat is, niet geloven of gehoorzaam zijn, naar al de vermaningen en dreigementen, die God door zijne profeten hun gedaan heeft.Vers 3 Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.5 Daarom gij, Omdat zij niet willen zien of horen, zal Ik hun nog een ander teken voorhouden.6 gereedschap van vertrekking; Te weten een maaltje of koffertje, staf, reismantel, schoenen of ander reistuig. Vergelijk Matth. 10:9,10. Anderen verstaan het huisraad, als bedden, bulsters, stoelen, tafels, kisten, kostbaarheden, enz.7 voor hun ogen; Dat is, alzo dat zij het met hunne ogen aanschouwen. Want de Heere wilde dezen weggevoerden, door hetgeen de profeet openbaar doen zou, een zeker teken geven van hetgeen zekerlijk die van Juda en Jeruzalem in korten tijd wedervaren zou, overmits zij niet geloofden dat het kwalijk met hen zou gaan, ja hoopten haast daarheen weder te keren, Jer. 28:3, scheldende den profeet Jeremia, door wiens vermaning zij zich in Chaldea hadden laten wegvoeren.8 van uw plaats Te weten waar gij woont.9 andere plaats voor hun ogen; Te weten daar gij in die stad niet gewoond hebt; en dat om u alleszins te schikken naar de wijze van doen dergenen, die waarlijk verhuizen en vele woningen plegen te doorlopen, hetwelk het volk tot een teken moest zijn, dat de koning Zedekia met de zijnen haast zouden moeten verhuizen uit Juda en Jeruzalem en gevankelijk weggevoerd worden naar Babel.10 misschien zullen zij Hij gebruikt dit woord om den profeet in twijfeling te laten van de vruchtbare uitkomst van dit teken, opdat hij leren zou tevreden te zijn met alleen zijn bevel na te komen. Het schijnt ook dat Hij in den profeet wat goede hoop wil opwekken om hem tot naarstigheid op te scherpen.11 merken, Te weten hoe Ik hen om hunne wederspannigheid straffen wil.12 hoewel zij een wederspannig huis zijn. Dat is, niettegenstaande zij zeer moedwillig en ongehoorzaam zijn, zodat er niet veel betering van is te verwachten, nochtans zal Ik dit zichtbare teken hun voorstellen tot hunne meerdere overtuiging. Anders: omdat zij een wederspannig huis zijn. Alzo zou God de reden aanwijzen, om welke van der Joden bekering niet veel te verwachten was. Of, mogelijk zullen zij zien; dat is, in hun hart overtuigd worden, dat zij een wederspannig huis zijn; naardien zulke straffen hun volk zullen overkomen, en zij door de hunne in welke zij staken nog niet gebeterd werden.Vers 4 Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.13 gereedschap Te weten waarvan in Ezech. 12:3 gesproken is.14 als het gereedschap dergenen, Hebreeuws, als het gereedschap der vertrekking; dat is, dat men medeneemt in het vertrekken, verhuizen, of verreizen.15 den avond uitgaan voor hun ogen, Het schijnt dat den profeet gelast is eerst zijn gereedschap uit te brengen in een plaats voor zijn huis binnen den muur zijnde, en daarna den muur door te breken en in donker met hetzelve weg te gaan, tot een teken dat de Joden heimelijk zouden zoeken te ontkomen, en dat de koning Zedekia met zijne krijgslieden des nachts trekken en vluchten zou, gelijk ook geschied is, 2 Kon. 25:4; Jer. 39:4, en Jer. 52:7. Avond is hier voor den nacht genomen; zie Job 7:4.16 gelijk zij uitgaan, Hebreeuws, naar de uitgangen der vertrekking; dat is, naar de wijze van het uitgaan dergenen, die enige reis aannemen.Vers 5 Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.17 Doorgraaf u den wand voor hun ogen, Te weten om te betekenen dat de koning Zedekia de muren der stad zou laten breken, om door de breuk met zijne krijgslieden uit het gevaar te komen. Zie de vervulling 2 Kon. 25:4; Jer. 52:7.18 [uw gereedschap] uit. Dit is hier ingevoegd uit Ezech. 12:4, en uit het volgende Ezech. 12:7.Vers 6 Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israëls tot een wonderteken gegeven.19 Voor hun ogen Zie boven Ezech. 12:3.20 uw aangezicht zult gij bedekken, Dit betekent dat de koning Zedekia zo snellijk en verslagen zou vluchten om de handen der Chaldeën te ontkomen, dat hij het land door hetwelk hij vluchtte, kwalijk zou zien. Daarna dat Zedekia zijn gezicht benomen zou worden door de verblinding zijner ogen, alzo dat hij het land van Babel niet zou zien. Zie de vervulling, 2 Kon. 25:7; Jer. 39:7, en Jer. 52:11. Ook is bedekking van het aangezicht een teken geweest van schande en droefheid, die men alrede heeft, en van zwarigheid, die te verwachten is. Vergelijk 2 Sam. 15:30; Esth. 7:8; Jer. 14:3.21 wonderteken gegeven. Te weten om te betekenen wat toekomende was, namelijk de ondergang van den koning Zedekia en van de stad Jeruzalem. Alzo onder Ezech. 12:11, Ezech. 24:24. Vergelijk Ps. 71:7, met de aantekening.Vers 7 En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.22 dergenen, Hebreeuws, der vertrekking.23 met de hand; Dat is, niet met enige ijzeren instrumenten en openbaar geweld, maar als met een diefelijke behendigheid en stilheid, tot een teken dat de koning Zedekia met zijn gezelschap heimelijk zou zoeken de handen der Chaldeën te ontvlieden. Zie 2 Kon. 25:4.24 het uit in donker, Te weten het reisgereedschap.Vers 8 En des morgens geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende:Vers 9 Mensenkind, heeft niet het huis Israëls, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?25 Wat doet gij? Dat is, wat wil het zijn, dat gij aldus op een vreemde manier in haast verhuist?Vers 10 Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere Heere: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israëls, dat in het midden van hen is.26 Deze last Dat is, deze profetie, die u door het teken mijner verhuizing voorgesteld wordt. Zie 2 Kon. 9:25. Of aldus: Deze last is [tegen] den vorst, tegen Jeruzalem, enz.27 vorst te Jeruzalem, Dat is, de koning Zedekia. De zin is dat de last, dien hij op zijne schouders droeg, een teken was van den last der grote ellenden, die in het kort over den koning, zijne heren en het ganse volk komen zouden.28 dat in het midden van hen is. Te weten de Joden, die binnen Jeruzalem woonden, of de stad Jeruzalem, in welke Joden en Israëlieten vergaderd waren.Vers 11 Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.29 wonderteken; Zie boven Ezech. 12:6.30 gedaan heb, Te weten met dit gereedschap aldus te dragen om te verhuizen.31 hun gedaan worden; Namelijk den koning van Juda en zijn volk.32 wegvoering Of vertrekking.33 heengaan. Te weten naar Babel. Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 35.Vers 12 En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.34 vorst, Namelijk de koning Zedekia, van wien in Ezech. 12:10 gesproken is.35 hen is, Dat is, van die van Jeruzalem en gans Juda.36 [het gereedschap] Te weten die ter verreizing nodig is, gelijk boven Ezech. 12:4.37 in het donker, Vergelijk boven Ezech. 12:4,6,7.38 wand graven, Dat is, muur; vergelijk boven Ezech. 12:5.Vers 13 Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeën; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.40 uitspreiden, Te weten door de Chaldeeuws krijgslieden, die hem in de vlucht zijnde najagen en vangen zullen. Zie van de vervulling 2 Kon. 25:5,6, en van de manier van spreken Job 19:6.41 niet zien, Te weten omdat door een geveld oordeel de ogen tevoren hem zullen verblind worden; 2 Kon. 25:7.Vers 14 En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.42 allen, Te weten die den koning Zedekia in zijne vlucht vergezelschapten. Zie de vervulling hiervan 2 Kon. 25:5. Versta ook de Egyptenaars, die den koning tevoren in de belegering te hulp gekomen waren; Jer. 37:5; idem die na den dood van Gedalia in Egypte gevlucht waren; Jer. 42:16,17,18, en Jer. 43:5,6,7, enz.43 benden Het woord betekent eigenlijk vleugelen, en hier benden en scharen van krijgsvolk. Alzo onder Ezech. 17:21, en Ezech. 39:4.44 alle winden verstrooien; Zie boven Ezech. 5:10.45 het zwaard achter hen uittrekken. Zie boven Ezech. 5:2.Vers 15 Alzo zullen zij weten, dat Ik de Heere ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.46 zij weten, Zie boven Ezech. 5:13.47 dat Ik de HEERE ben, Zie boven Ezech. 6:7.Vers 16 Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben.48 hen Te weten van de Joden en andere Israëlieten, die in Jeruzalem en daar buiten onder elkander vermengd waren.49 weinige lieden Hebreeuws, lieden van getal; dat is weinige lieden, die men lichtelijk tellen kan; zie Gen. 34:30.50 hun gruwelen Tegen de eerste en de tweede tafel. Zie van dezelve 2 Kon. 16:3,4, enz. en 2 Kon. 21:2,3, enz.; 2 Kron. 33:2,3, enz. en 2 Kron. 36:14,16.51 vertellen onder de heidenen, Te weten niet slechts alleen met woorden, maar ook metterdaad hunner verstrooiing in alle omliggende landen, waardoor zij als op een toneel gesteld zouden worden tot een openbaar bewijs van Gods werk tegen de zonde.52 zij zullen weten, Te weten niet alleen de Joden, bevindende metterdaad dat Ik waarachtig, rechtvaardig en een vijand der zonden ben, maar ook de heidenen, onderricht zijnde van de Joden en ziende de rechtvaardige plagen, waarmede God hunne zonden strafte.Vers 17 Daarna geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende:Vers 18 Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.53 gij zult uw brood eten met beven, Te weten om te betekenen de benauwdheid, vrees en verslagenheid, waartoe de Joden in Jeruzalem en overal in het land gebracht zouden worden; vergelijk boven Ezech. 4:16.Vers 19 En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere Heere, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israëls: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;54 des lands zeggen: Namelijk van Chaldea. Hij verstaat de Joden en Israëlieten, die daar als gevangenen woonden. Dezen was het zeer voordelig te horen, hoe het nog met Jeruzalem gaan zou. Want het was hun leed, verleid zijnde door de valse profeten, dat zij door den raad van Jeremia hun vaderland verlaten en zich hunnen vijanden overgegeven hadden.55 met kommer eten, Dat is, zeer bekommerd, verslagen en verbaasd zijnde over de onverwachte en vreeslijke ellenden, die hen tevens zullen overvallen.56 omdat Dat is, opdat zij daaruit verstaan mochten dat niet alleen de stad belegerd, maar ook het ganse land verwoest zou worden.57 hun land Versta, het land van Jeruzalem, te weten waarin deze stad gelegen was, en waarover zij heersten.58 van zijn volheid, Dat is, van hetgeen waar het vol van is, alzo Ps. 24:1. Versta, allerlei overvloed en rijkdom, die van den vijand weggenomen zou worden.Vers 20 En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.

Lees heel Ezechiël 12

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.