Gods bevelen aan Mozes
Vers 1 (5:24) Toen zeide de Heere tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven.23 want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, Dat is, door mijn kracht en dwang. Zie de vervulling Exod. 12,Exod. 13.Vers 2 (6:1) Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de Heere,1 de HEERE, Zie Gen. 2:4.Vers 3 (6:2) En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam Heere ben Ik hun niet bekend geweest.2 als God Hebreeuws, in God den almachtige; anders, met [den naam] God almachtig.3 de Almachtige; Dat is, die machtig is om goed te doen, en zijn beloften uit te voeren; Gen. 17:1.4 met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest. God de Heere wil hier zeggen dat deze zijn naam Jehovah, en hetgeen die naam betekent, tot nog toe hun zo wel niet bekend was, als het hun voortaan zou bekend gemaakt worden, door de dadelijke vervulling zijner beloften, bijzonderlijk van de mirakuleuze verlossing uit Egypte en invoering in het land van belofte. Overigens heeft God zich reeds lang vóór dezen JEHOVA genoemd, en bij dezen naam zijn beloften verzekerd, gelijk te zien is Gen. 2:4,7,8,9, en Gen. 15:7, en Gen. 26:24, en Gen. 28:12, enz.Vers 4 (6:3) En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaän, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.Vers 5 (6:4) En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5 het gekerm der kinderen Israëls, Of, het gesteen, het geklag.6 dienstbaarheid houden, Of, doen dienen, dienstbaar maken.7 heb aan mijn verbond gedacht. Dit is menselijker wijze gesproken, gelijk Gen. 8:1.Vers 6 (6:5) Derhalve zeg tot de kinderen Israëls: Ik ben de Heere! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;8 door een uitgestrekten arm, Dat is, door mijn grote en bijzondere kracht: menselijker wijze van God gesproken.9 door grote gerichten; Dat is, doende grote en schrikkelijke straffen tot bewijs mijner gerechtigheid over de Egyptenaars.Vers 7 (6:6) En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal u tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de Heere uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.10 tot Mijn volk aannemen, Dat is, dat Mij kennen en dienen, en van Mij lichamelijke en geestelijke weldaden genieten zal ter eeuwige zaligheid.11 bekennen, Anders, bevinden, of, weten, ervaren.Vers 8 (6:7) En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de Heere!12 Ik Mijn hand opgeheven heb, Dat is, gezworen heb. Zie Gen. 14:22, en Jes. 62:8.13 Ik, de HEERE! Anders, ik ben de Heere; alsof God zeide: Ik kan en zal ulieden geven wat Ik beloof. Zie boven, Exod. 6:1.Vers 9 (6:8) En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.14 benauwdheid des geestes, De Israëlieten waren zo overbluft en tenondergebracht, dat zij liever wilden blijven onder de slavernij der Egyptenaars, dan dat Mozes zou voortvaren tot hun verlossing, vrezende nog kwalijker te zullen getrakteerd worden. Zie Exod. 14:12, en Job 21:4.Vers 10 (6:9) Verder sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 11 (6:10) Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.Vers 12 (6:11) Doch Mozes sprak voor den Heere, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.15 ben ik onbesneden van lippen. Dat is, ik ben niet welsprekend. Hieruit wil Mozes besluiten dat God hem niet tot Farao behoorde te zenden, maar een die beter ter taal was; zie boven, Exod. 4:10. Ditzelfde klaagde ook Jesaja, Jes. 6:5, en Jeremia, Jer. 1:6.