Advertentie

Exodus 5:1-21

21 verzen · 19 kanttekeningen · Statenvertaling

Mozes en Aäron voor Faraö

Vers 1 En daarna gingen Mozes en Aäron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de Heere, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!Vers 2 Maar Farao zeide: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken den Heere niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken.Vers 3 Zij dan zeiden: De God der Hebreën is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den Heere, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.Vers 4 Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aäron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.Vers 5 Verder zeide Farao: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?1 het volk des lands is alreeds [te] veel; Hij spreekt van de Israëlieten in Egypteland.2 zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten? Met deze woorden geeft Farao te kennen, waarom hij den Israëlieten zulke zware lasten oplegde, te weten, om hen uit te mergelen, en alzo het voorttelen van kinderen te verhinderen.Vers 6 Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:3 aan de aandrijvers onder het volk, Deze waren Egyptenaars, Exod. 5:14, die over de Israëlitische ambtlieden gesteld waren.4 ambtlieden, zeggende: Deze waren Israëlieten, Exod. 5:14, en zij stonden onder het gebied der Egyptische aandrijvers.Vers 7 Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.5 zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, Hebreeuws, gij zult niet toedoen te geven.6 tot het maken der tichelstenen, Hebreeuws, tichelstenen te tichelen.Vers 8 En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!7 het getal der tichelstenen, Of, som, maat.Vers 9 Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.8 leugenachtige woorden. Hebreeuws, woorden der leugens, of der valsheid. Die goddeloze koning noemt Gods woord leugenachtige woorden; of hij wil te kennen geven dat het leugens waren, toen Mozes en Aäron zeiden dat zij van God gezonden waren.Vers 10 Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven.Vers 11 Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.9 zal niet verminderd worden. Hebreeuws, geen woord; dat is, ding.Vers 12 Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.Vers 13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.Vers 14 En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?10 men zeide: Hebreeuws, zeggende.11 gelijk te voren, Hebreeuws, als gisteren, eergisteren.Vers 15 Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?Vers 16 Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks!12 zij zeggen tot ons: Te weten, de drijvers; anders, de tichelstenen, zeggen zij tot ons, zult gijlieden maken.13 uws volks! Te weten, der Egyptenaars, die ons geen stro leveren, en nochtans het gewone dagwerk ons afeisen. Anders, en uw volk, [te weten, de Israëlieten] moeten de schuld hebben.Vers 17 Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den Heere offeren!Vers 18 Zo gaat nu heen, arbeidt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het getal der tichelstenen leveren.Vers 19 Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israëls, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.14 dat het kwalijk met hen stond, Hebreeuws, dat zij in het kwade waren.15 dagwerk op zijn dag. Hebreeuws, ding; gelijk boven, Exod. 5:13; anders, [levert] het dagwerk op zijn dag.Vers 20 En zij ontmoetten Mozes en Aäron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen.Vers 21 En zeiden tot hen: De Heere zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.16 De HEERE zie op u Dat is, de Heere wil een inzien daarin hebben, en kennis nemen van hetgeen gijlieden ons gedaan hebt. Zie Gen. 31:42.17 richte het, Zie Gen. 15:14, en Gen. 16:5.18 voor Farao, en voor zijn knechten, Hebreeuws, voor de ogen van Farao, en voor de ogen zijner knechten.19 gevende een zwaard in hun handen, Dat is, dewijl gij ons in den haat gebracht hebt bij Farao. Zie Gen. 34:30.

Lees heel Exodus 5

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.