De twee nieuwe stenen tafelen
Vers 1 Toen zeide de Heere tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.Vers 2 En wees bereid tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs.1 tegen den morgenstond; Dit is de tweede maal dat Mozes op den berg Sinaï geweest is, telken reis veertig dagen en veertig nachten.2 top des bergs. Hebreeuws, hoofd.Vers 3 En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.3 niemand zal met u opklimmen; Toen Mozes de eerste maal op den berg ging, zo waren bij hem Aäron, Nadab en Abihu, met zeventig van de oudsten van Israël: maar nu waren zij voor den Heere stinkende geworden, vanwege de afgoderij, die zij met het gouden kalf bedreven hadden.Vers 4 Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Sinaï, gelijk als hem de Heere geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.