Aanwijzing voor den bouw van den tabernakel
Vers 1 Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende:Vers 2 Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.1 met name geroepen Bezaleël, Dat is, voor alle anderen tot dit werk verkoren; gelijk onder, Exod. 35:30.Vers 3 En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;2 met den Geest Gods, Dat is, met de gaven des Geestes Gods, met dezulke, gelijk straks verhaald worden; waaruit dan genoegzaam blijkt, dat fraaie handwerken maken een gave Gods is.3 alle handwerk; Dat is, allerlei, en alzo Exod. 31:5.Vers 4 Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,4 vernuftigen arbeid; Hebreeuws, bedenkingen.Vers 5 En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.5 steensnijding, Versta hier, edele gesteenten.6 in te zetten, Hebreeuws, te vullen.Vers 6 En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.7 hem bijgevoegd Aholiab, Hebreeuws, met, of, bij hem gegeven.8 wijsheid gegeven; Dat is, kloekheid, of vernuft in de kunst, die zij uitoefenen.Vers 7 Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der tent;Vers 8 En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;9 den louteren kandelaar, Dat is, die uit louter goud zou gemaakt worden. Zie Exod. 25:31.Vers 9 Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet;Vers 10 En de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aäron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;10 ambtsklederen, Versta hier, onder den naam van ambtsklederen, ook de tapijten en behangsels des tabernakels, waarvan Exod. 26:36, gesproken wordt. Idem de deksels, waarmede men de tafel, de ark, het altaar en ander heilig gereedschap bedekte en bewond, wanneer men opbrak, en van de ene plaats naar de andere trok. Zie Num. 4:5,9,11,12.11 den priester Aäron, Te weten, des hogepriesters.12 om het priesterambt te bedienen; Dat is, die zij aantrokken, wanneer zij het priesterambt bedienden.Vers 11 Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.