Het reukaltaar
Vers 1 Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken; van sittimhout zult gij het maken.1 des reukwerks maken; Om iederen dag reukwerk daarop aan te steken. Dit altaar stond in het voorste deel des tabernakels voor het voorhangsel. Het was wel eigenlijk tot het reukwerk gemaakt, doch somtijds werd daarop ook de verzoening met bloed gedaan, gelijk te zien is onder, Exod. 30:10, en Lev. 4:7.Vers 2 Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen deszelfs hoogte; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn.Vers 3 En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en deszelfs wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken.2 met louter goud overtrekken, Het wordt Num. 4:11, genoemd het gouden altaar; maar Ezech. 41:22 het houten altaar.3 wanden rondom, Dat is, de zijden, want gelijk door het dak wordt verstaan het deksel of de bovenplank des altaars, waar men het reukwerk op zette, alzo moet men hier door de wanden verstaan de zijden des altaars.Vers 4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede drage.4 tot plaatsen voor de handbomen, Dat is, om de handbomen daarin te steken; te weten, wanneer de tabernakel zal verdragen of op een andere plaats zal gebracht worden; Num. 4:5,11,15.5 het daarmede drage. Te weten, het altaar.Vers 5 De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.Vers 6 En gij zult het zetten voor den voorhang, die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.6 den voorhang, Dit voorhangsel was een scheidsel, tussen de plaats, waar de priesters hun dienst deden, en het heilige der heiligen, waar de ark stond. die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.Vers 7 En Aäron zal daarop aansteken welriekende specerijen; allen morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken.7 aansteken welriekende specerijen; Hebreeuws, doen roken.8 allen morgen, Hebreeuws, in den morgen in den morgen. lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken.Vers 8 En als Aäron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des Heeren, bij uw geslachten.9 dat aansteken; Te weten, het reukwerk.10 reukwerk zijn, Of, rookwerk, roking. voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten.Vers 9 Gij zult geen vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.11 vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, Dat is, van elders gebracht, of anders toebereid, zoals Exod. 30:34,35,36 verordineerd wordt.12 brandoffer, Tot het brandoffer en spijsoffer was dit altaar verordineerd, waarvan Exod. 27:1, gesproken wordt. spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.Vers 10 En Aäron zal eens in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed des zondoffers der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden den Heere!13 eens in het jaar Te weten, op den tienden dag der zevende maand, die daarom genoemd werd de dag der verzoening; Lev. 23:27.14 verzoening doen, Of, de verzoening doen.15 zondoffers der verzoeningen; Dat is, des zondoffers, waardoor de verzoening gemaakt wordt.