Exodus 10:21-29
Negende plaag. Duisternis
Vers 21 Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.Vers 22 Als Mozes zijn hand uitstrekte naar den hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.Vers 23 Zij zagen de een den ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen.Vers 24 Toen riep Farao Mozes, en zeide: Gaat heen, dient den Heere! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderkens met u gaan.Vers 25 Doch Mozes zeide: Ook zult gij slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij den Heere, onzen God, doen mogen;Vers 26 En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet een klauw achterblijven; want van hetzelve zullen wij nemen, om den Heere, onzen God, te dienen; want wij weten niet, waarmede wij den Heere, onzen God, dienen zullen, totdat wij daar komen.Vers 27 Doch de Heere verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken.Vers 28 Maar Farao zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op welken dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!Vers 29 Mozes nu zeide: Gij hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!