Advertentie

Esther 9:1-19

19 verzen · 32 kanttekeningen · Statenvertaling

De Joden wreken zich

Vers 1 In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten zelven over hun haters.1 Adar, Zie boven, Esth. 3:7.2 toen des konings Dat is, toen de tijd aankwam, dat men de Joden zou uitroeien.3 woord Dat is, zijn plakkaat.4 zo is het omgekeerd, Te weten, door de rechtvaardige regering Gods, die Hamans bloeddorstig voornemen had te schande gemaakt en den vijanden van Gods volk had gedaan gelijk zij anderen meenden te doen.Vers 2 Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.5 hun verderf zochten; Hebreeuws, hun kwaad.6 bestond voor hen, Of, stond hen tegen. Hebreeuws, tegen hun aangezicht.7 hunlieder schrik Versta hier, een vrees en schrik, waarmede de Joden van anderen gevreesd werden. Alzo ook Esth. 9:3.Vers 3 En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mordechai was op hen gevallen.8 die het werk des konings deden, Zie boven, Esth. 3:9.9 verhieven de Joden; Dat is, zij eerden hen en deden hun alle hulp.10 de vreze van Mordechai Dat is, zij vreesden hem te vertoornen, nu zij zagen dat hij in zulk aanzien bij den koning was.Vers 4 Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Mordechai, werd doorgaans groter.11 groot Dat is, in groot aanzien en autoriteit.12 werd doorgaans groter. Dat is, hij werd alle dagen groter. Zie deze manier van spreken Gen. 26:13, met de aantekening. Hebreeuws, gaande en groot wordende.Vers 5 De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.13 met den slag des zwaards, Dat is, zij sloegen en doodden, en brachten om met het zwaard al hun vijanden.Vers 6 En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.14 vijfhonderd mannen. Sommige menen dat deze vijf honderd mannen zijn geweest vrienden en bondgenoten van Haman, waarom de koning hierin des te weiniger zwarigheid gemaakt heeft, als vermoedende dat zij iets tegen hem mochten aanvangen om Hamans dood te wreken.Vers 7 En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata,15 Parsandatha, Zie Exod. 17:14, en Deut. 25:17, waar geboden wordt Amalek uit te roeien.Vers 8 En Poratha, en Adalia, en Aridatha,Vers 9 En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,Vers 10 De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.16 doodden zij; Niet alleen ten aanzien van het boos voornemen huns vaders; maar ten aanzien van het bevel Gods; Exod. 17:14.17 zij sloegen hun handen Dat is, zij namen de goederen der verslagenen niet tot zich [ofschoon de koning hun zulks had toegelaten]. Waarom? Omdat zij des konings schatkamer niet zouden tekortdoen; ook opdat zij zouden doen blijken dat zij hun vijanden niet hadden doodgeslagen om vuil gewin, huns eigen profijtshalve, maar alleen om hun lijf en goed te beschermen, en dewijl de nood zulks vereiste, want anderszins kon des konings plakkaat niet vernietigd worden.Vers 11 Ten zelfden dage kwam voor den koning het getal der gedoden op den burg Susan.Vers 12 En de koning zeide tot de koningin Esther: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.18 wat hebben zij Alsof hij zeide: Dewijl het getal der doden op den burg Susan zo groot is; hoe groot moet dan zijn het getal van al degenen, die in al de landschappen mijns rijks gedood zijn?Vers 13 Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.19 Dunkt het den koning goed, Hebreeuws, is het goed bij den koning.20 men late Dat is, laat hen morgen in de stad Susan doen wat heden op den burg Susan geschied is. Anderen verstaan dit alzo, dat er te Susan nog enigen waren, die zich tegen de Joden stelden, die ook noodzakelijk moesten uitgeroeid worden.21 aan de galg. Hier staat aan te merken dat de zonen van Haman zijn gehangen geworden nadat zij doodgeslagen waren. Zie Esth. 9:10.Vers 14 Toen zeide de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.22 daar werd een gebod Dat is, daar werd een bevel gedaan vanwege den koning, door hetwelk den Joden te Susan werd toegelaten hun vijanden des anderen daags ook te doden, gelijk Esther, Esth. 9:13, is verzoekende.Vers 15 En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.Vers 16 De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.23 vergaderden, Hij wil zeggen: Zij vergaderden om hun leven te beschermen en om in vrede te mogen leven, zonder hun vijanden te vrezen.24 leven, Hebreeuws, ziel. Anders, en stonden voor hun leven, en hadden rust, enz.25 zij sloegen hun hand niet Zie boven, Esth. 9:10.Vers 17 Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.Vers 18 En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.26 Susan waren, Te weten, in de stad Susan.27 op den dertienden Te weten, op den dertienden dag der maand Adar.Vers 19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.28 Daarom maakten Te weten, vanwege de victorie, die zij op dien dag over hun vijanden verkregen hadden.29 tot vreugde Zie Deut. 16:11,14; Neh. 8:10,11.30 vrolijken dag, Hebreeuws, goeden.31 delen Of, gerechten; te weten, tafelgerechten. Zie 1 Sam. 1:4,5; Neh. 8:11,13.32 aan elkander. Hebreeuws, de man aan zijn naasten.

Lees heel Esther 9

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.