Verschillende wetten over plichten jegens mens en dier
Vers 1 Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uw broeder ganselijk weder toesturen.1 os of klein vee Dat is, groot vee.2 afgedreven, Te weten, van den weg, of van de kudde, en dienvolgens dolende.3 verbergen; Dat is, onttrekken, u houdende alsof gij ze niet gezien hadt, latende dezelve voort dolen. Alzo onder, Deut. 22:3,4.4 ganselijk weder toesturen. Hebreeuws, wedersturende wedersturen.Vers 2 En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gij ze hem wedergeeft.5 niet nabij u is, Dat is, te ver van u woont.6 zo zult gij ze Hebreeuws, zo zult gij hem; te weten, den os, waarbij het klein vee mede verstaan wordt, en zo in de volgende woorden.7 binnen in uw huis vergaderen, Hebreeuws, in het midden van het huis vergaderen; dat is, in uw huis innemen, niet buiten laten blijven. Vergelijk Richt. 19:15.Vers 3 Alzo zult gij ook doen aan zijn ezel, en alzo zult gij doen aan zijn kleding, ja, alzo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen.8 het verlorene uws broeders, Hebreeuws, het verlies.9 gij zult u niet mogen verbergen. Of, het zal niet mogen verborgen worden.Vers 4 Gij zult uws broeders ezel of zijn os niet zien, vallende op den weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganselijk oprichten.10 hem Te weten, uwen broeder, dien gij zult helpen in het oprichten.11 ganselijk oprichten. Hebreeuws, oprichtende oprichten.Vers 5 Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den Heere, uw God, een gruwel.12 kleed eens mans Hebreeuws, tuig, gereedschap; in het Hebreeuws is een woordje, waarvan te zien is Lev. 15:4.13 is den HEERE, uw God, Hebreeuws, een gruwel des HEEREN uws Gods. Zie boven, Deut. 17:1.Vers 6 Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.14 zittende op de jongen Hebreeuws, liggende.15 jongen niet nemen. Hebreeuws, kinderen; en alzo in Deut. 22:7.Vers 7 Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.16 ganselijk vrijlaten; Hebreeuws, vrijlatende vrijlaten.Vers 8 Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een leuning maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.17 leuning maken; Omdat de daken in het Joodse land zo plat waren, dat men er op wandelen kon. Zie Richt. 16:27; 1 Sam. 9:25,26; 2 Sam. 11:2; Neh. 8:17; Jer. 19:13; Matth. 10:27, en Matth. 24:17; Mark. 2:4; Hand. 10:9.18 bloedschuld op uw huis legt, Hebreeuws, bloeden.Vers 9 Gij zult uw wijngaard niet met tweeërlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.19 tweeërlei bezaaien; Gelijk men in die landen gewoon was tussen de wijnstokken allerlei te zaaien, als: rogge, weit, gerst, enz.20 volheid des zaads, Dat is, de volrijpe vruchten. Zie Exod. 22:29.21 ontheiligd worde. Of, verontreinigd. anders, geheiligd; te weten den Heere, en overzulks den priesters ten deel valle, zodat gij voor u daarvan niet moogt genieten, omdat gij tegen het bevel des Heeren gedaan zult hebben. Zie boven, Deut. 20:6.Vers 10 Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.Vers 11 Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk.22 Gij zult geen kleed Zie Lev. 19:19.Vers 12 Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmede gij u bedekt.23 Snoeren zult gij u maken Vergelijk Num. 15:38,39, en Matth. 23:5. Anders, zomen, boorden, franjes, bandjes.24 hoeken Hebreeuws, vleugels.25 opperkleeds, Hebreeuws, deksels.