Over vrouwen in krijgsgevangenschap
Vers 10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de Heere, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert;9 hun gevangenen gevankelijk wegvoert; Hebreeuws, zijn gevangenis; en zo in het volgende.Vers 11 En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt;Vers 12 Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden.10 binnen in uw huis brengen; Hebreeuws, in het midden van uw huis; gelijk onder, Deut. 22:2.11 besnijden. Hebreeuws, maken; dat is, toemaken, bereiden. In dezen zin wordt het Hebreeuwse woord ook gevonden 2 Sam. 19:24. Al deze ceremoniën in Deut. 21:12 en Deut. 21:13 verhaald, als: scheren van het hoofd, besnijden, of reinigen der nagels, het afleggen der vorige heidense klederen, het bewenen van haar ouders, enz., waren een teken van de aflegging en verlating des vorigen heidensen afgodischen wezens, aanneming der ware religie en inlijving in Gods volk. Vergelijk Ps. 45:11. Sommigen, die menen dat deze dingen dienden om den man van dit huwelijk afkerig te maken, zetten het over: nagels laten wassen.Vers 13 En zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn.12 kleed harer gevangenis Het heidense kleed, waarin zij gevangen was.13 een maand lang bewenen; Hebreeuws, een man der dagen. Zie Gen. 29:14; alzo, een jaar der dagen; dat is, een vol jaar. Zie Gen. 41:1.Vers 14 En het zal geschieden, indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar haar begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij haar vernederd hebt.14 begeerte; Hebreeuws, ziel.15 geenszins Hebreeuws, verkopende niet verkopen.16 geen gewin drijven, Vergelijk onder, Deut. 24:7.17 vernederd hebt. Of, geschonden, beslapen hebt.