Verbod tegen waarzeggerij
Vers 9 Wanneer gij komt in het land, dat de Heere, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.9 volken. Der Kanaänieten, die er in wonen.Vers 10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.10 door het vuur doet doorgaan, Zie de aantekeningen Lev. 18:21.11 die met waarzeggerijen omgaat, Hebreeuws, een voorzegger der voorzeggingen, of, rader der raadselen, gisser der gissingen.12 een guichelaar, Zie Lev. 19:26.Vers 11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.13 bezweerder, Hebreeuws, die met bezwering zweert, of, bezwering bezweert; eigenlijk: die koppeling samenkoppelt.14 een waarzeggenden geest Zie Lev. 19:31, en Lev. 20:6.Vers 12 Want al wie zulks doet, is den Heere een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de Heere, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.15 den HEERE een gruwel; Hebreeuws, een gruwel des HEEREN. Zie boven, Deut. 17:1.16 verdrijft hen de HEERE, Te weten, de inwoners van Kanaän.Vers 13 Oprecht zult gij zijn met den Heere, uw God.Vers 14 Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de Heere, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.17 die gij zult erven, Dat is, wier landen; gelijk boven, Deut. 9:1 en elders meer.18 heeft u zulks niet toegelaten. Hebreeuws, heeft u alzo niet toegelaten; versta, te doen.