Deuteronomium 17:14-20
De verkiezing van een koning en diens plichten
Vers 14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de Heere, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn;Vers 15 Zo zult gij ganselijk tot koning over u stellen, dien de Heere, uw God, verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broeder niet zij.Vers 16 Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de Heere ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeren door dezen weg.Vers 17 Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.Vers 18 Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht der Levietische priesteren is;Vers 19 En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den Heere, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;Vers 20 Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broederen, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechter hand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israel.