Over rechters en ambtlieden
Vers 18 Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de Heere, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.23 Rechters en ambtlieden Vergelijk 1 Kron. 23:4, en 1 Kron. 26:29; 2 Kron. 19:8.24 onder uw stammen; Of, voor, naar uw stammen.Vers 19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.25 aangezicht niet kennen; Zie boven, Deut. 1:17.26 woorden der rechtvaardigen. Versta, de woorden der rechters, dat zij kwade vonnissen uitspreken, of, de woorden dergenen, die een rechtvaardige zaak hebben, die door den omgekochten rechter verkeerd en verdraaid worden. Anders, zaken.Vers 20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de Heere, uw God, geven zal.27 Gerechtigheid, gerechtigheid Dat is enkel of louter gerechtigheid. Het is gesproken met nadruk. Vergelijk Deut. 2:27; Jes. 26:5,15; Ezech. 21:9, met de aantekeningen.Vers 21 Gij zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar des Heeren, uws Gods, dat gij u maken zult.28 van enig geboomte, Of, bosplanten [noch] enig geboomte.29 bij het altaar des HEEREN, Dat is, met de mening van enige godsdienstigheid, hetwelk gij er mede zoudt te kennen geven, wanneer gij enig bos nabij het altaar of den tempel des HEEREN zoudt planten, of anderszins hetzelve nevens des HEEREN altaar enige heiligheid toeschrijven, en van gelijke of meerdere waarde houden. Zie 2 Kon. 16, 2 Kon. 17.Vers 22 Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de Heere, uw God, haat.30 opgericht beeld stellen, Of, pilaarbeeld, statue.