Deuteronomium 15:1-6

Van het vrijheidsjaar

Vers 1 Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.Vers 2 Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den Heere een vrijlating heeft uitgeroepen.Vers 3 Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;Vers 4 Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de Heere zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de Heere, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;Vers 5 Indien gij slechts de stem des Heeren, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.Vers 6 Want de Heere, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.

Advertentie

Liever lezen zonder advertenties? Lees meer over Plus