Vermaning God te dienen
Vers 12 Nu dan, Israël! wat eist de Heere, uw God van u dan den Heere, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Heere, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;14 wegen te wandelen, Zie Gen. 18:19.15 met uw ganse hart en met uw ganse ziel; Gelijk Deut. 6:5.Vers 13 Om te houden de geboden des Heeren, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.16 u ten goede. Zie boven, Deut. 6:25.Vers 14 Ziet, des Heeren, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.17 der hemelen, de aarde, Dat is, de hoogste hemel, alsook 1 Kon. 8:27, die de derde hemel genoemd wordt, 2 Cor. 12:2. Hemel der hemelen wordt gezegd, gelijk het Hooglied van Salomo, het lied der liederen, ijdelheid der ijdelheden, koning der koningen, knechten der knechten.Vers 15 Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.18 Alleenlijk heeft de HEERE Mozes wil zeggen dat er geen andere oorzaak is van de verkiezing Israëls en van hun vaderen, dan het enkele vrije welbehagen en de loutere genade Gods; want hem waren al zijn schepselen, ten aanzien der schepping, even na; Hij had niemand van doen en het stond hem vrij, Israël en zijn vaderen in hun zondigen staat, als andere volken, te laten, of te verkiezen en te begenadigen wien of welk volk Hij wilde. Vergelijk Exod. 33:19; boven, Deut. 9:4,5,6, enz; Joz. 24:2,3; Matth. 11:26; Hand. 13:17, en Hand. 14:16; Rom. 9:15, en Rom. 11:35; Ef. 1:5,9,11, enz.Vers 16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.19 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, Dat is, doet uit uw hart weg alles, dat tegen den heiligen wil des HEEREN strijdt, en kruisigt uw vlees. Vergelijk Jer. 4:4; Rom. 2:28,29; Col. 2:11. Van het verharden der nekken, zie men Exod. 32:9.Vers 17 Want de Heere, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;20 goden, Dat is, de afgoden zijn niets, maar deze is de enige, ware, allerhoogste God, die ook heerst over alle engelen en mensen, die vanwege enig goddelijk ambt, of dienst goden genaamd worden; alzo Ps. 50:1. Vergelijk 1 Cor. 8:5,6, en Openb. 17:14, en Openb. 19:16.21 aangezicht aanneemt, Dat is, die geen uiterlijk onderscheid der mensen aanziet of iemand rijk of arm, ingeboren of vreemdeling, Jood of heiden zij, enz. Zie ook Lev. 19:15.Vers 18 Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.22 doet; Dat is, uitvoert.Vers 19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.Vers 20 Den Heere, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.23 zweren. Zie boven, Deut. 6:13.Vers 21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.24 lof, Dat is, die u door zijn genade en weldadigheid oorzaak geeft om hem te loven, en des gij u hebt te beroemen, en wiens lof gij steeds in uw hart en mond behoort te voeren. Vergelijk Jer. 17:14.Vers 22 Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de Heere, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.25 Egypte Zie Gen. 12:10.26 zielen; Dat is, zij waren niet meer dan zeventig personen.27 sterren des hemels in menigte. Zie Gen. 13:16, en Gen. 15:5.