Deuteronomium 10:12-22
Vermaning God te dienen
Vers 12 Nu dan, Israel! wat eist de Heere, uw God van u dan den Heere, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Heere, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;Vers 13 Om te houden de geboden des Heeren, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.Vers 14 Ziet, des Heeren, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.Vers 15 Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.Vers 16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.Vers 17 Want de Heere, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;Vers 18 Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.Vers 19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.Vers 20 Den Heere, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.Vers 21 Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.Vers 22 Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de Heere, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.