Advertentie

Amos 9:1-10

10 verzen · 44 kanttekeningen · Statenvertaling

Gezicht van de verwoesting van het altaar

Vers 1 Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.1 zag den Heere Te weten, in een gezicht, waarin God den profeet vertoonde dat Hij zijn tempel, tempeldienst, priesters en hoofden van het volk niet wilde verschonen, maar met zijne straffen van boven tot beneden, van de hoge en voorste tot de lage en achterste toe doorgaan.2 staan Hebr. gesteld, staande.3 altaar, Te weten, het brandofferaltaar [naar het algemeen gevoelen], dat voor het heilige stond, waardoor God te kennen gaf dat Hij verhuizen wilde. Verg. Ezech. 10:4. Hoewel sommigen menen dat dit gezicht te verstaan is van de afgodische tempels en altaren van Israël, als te Bethel, enz. Indien de profeet heeft moeten vluchten in het land van Juda [gelijk in Amos 7:12,] kan het wel zijn dat hem dit gezicht aldaar is geopenbaard, tegen Salomo's tempel; doch anderen menen dat de profeet niet is gevlucht, zie Amos 7:15.4 Hij zeide: De Heere, tot een engel, die zijn oordeel zou uitvoeren, of tot den profeet zelf. Verg. Ezech. 9:1, enz., en Ezech. 43:3.5 knoop, Of, appel, granaatappel, die boven op de spits van den tempel, of den bovendorpel der poort mag hebben gestaan, gelijk in zulke prachtige gebouwen wel gebruikelijk is.6 posten beven, Of, dorpels, om te tonen dat God alles van boven tot onder toe wilde vernielen.7 doorkloof ze allen Anders: verwond die, die hun allen ten hoofd zijn; dat is, de oversten en voornaamsten.8 achterste Sommigen verstaan hier de rest van het gemene volk; anderen het overblijfsel, de nakomelingen. Zie Ps. 37:37.9 zwaard doden; Der Babyloniërs en Assyriërs.10 de vliedende Dat is, die zich meent met de vlucht te behouden, of die anderszins wel placht te ontvlieden, zal het nu niet kunnen doen, en alzo, in het volgende. Zie Amos 2:14,15,16, en Amos 5:19.11 onder hen niet ontvlieden, Of, bij, van hen.Vers 2 Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.12 hel, Zie Job 26:6; Ps. 139:8, met de aantekening. Met deze drie volgende verzen wil de Heere zeggen dat zij in gene plaatsen zijn straffende hand zullen kunnen ontgaan, alzo Hij overal met zijn wezen, almacht en regering tegenwoordig is.Vers 3 En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.13 Karmel, Zie 2 Kon. 19:23. Hebr. hoofd van Karmel.14 halen; Hebr. nemen. Zie Jer. 37:17.15 van voor Mijn ogen Menende dat Ik hen daar niet zou kunnen zien en vinden.16 gebieden, Dat is, door mijne regering beschikken, dat zij [als op een bijzonder bevel] zulks doe; zie Lev. 25:21, en verg. 2 Kon. 18:25, met de aantekening, alzo in het volgende van het zwaard, Amos 9:4, en het roepen der wateren, Amos 9:6.Vers 4 En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.17 gevangenis Menende alsdan vrij en het zwaard ontkomen te zijn.18 oog Zie Jer. 24:6, en verg. Lev. 17:10, en Jer. 44:11, met de aantekening.Vers 5 Want de Heere Heere der heirscharen is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.19 Want de Heere HEERE der heirscharen De profeet bevestigt deze profetie met beschrijving van de macht en majesteit van den auteur, opdat zij zich niet mochten inbeelden dat de voorgemelde uitvoering hem onmogelijk was. Verg. Amos 4:13, en Amos 5:8,9.20 is het, Of, die zal het land aanroeren, enz. te weten Kanaän, of Juda en Israël.21 het land aanroert, Anders: een land; dat is, als Hij enig land met zijn straffende hand of vinger maar aanroert, enz. Verg. Ps. 39:12, met de aantekening.22 het geheel oprijze Te weten, land. Zie Amos 8:8.Vers 6 Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.23 opperzalen in den hemel bouwt, Verg. Ps. 104:3,13, met de aantekening. Hebr. trappen, of opklimmingen, opgangen, daar en bij welke men opklimt tot opperzalen of opperkamers.24 benden Of, heir, heirtocht, troep, dicht samengevoegde hoop, gelijk 2 Sam. 2:25, ofbundel, waardoor men bekwamelijk kan verstaan alle schepselen Gods, die Hij als in een bundel of op een troep samengebonden gereed houdt, om overal en voornamelijk op aarde zijnen wil te verrichten. Verg. Gen. 2:1; 1 Kon. 18:15, met de aantekening.25 op aarde gefondeerd; Anders: boven, verstaande door het bundeltje de elementen, waarvan de aarde als een grondvest is.26 roept, Zie Amos 5:8.27 aardbodem; Hebr. aangezicht der aarde.Vers 7 Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israëls? spreekt de Heere. Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriërs uit Kir?28 Moren, Hebr. Cuschiim. God wil zeggen dat Hij Israël wel boven andere volken uit genade verheven had, [Amos 3:2], maar dat zij van zichzelven en ten aanzien hunner goddeloosheid en ondankbaarheid nu niet beter en waardiger voor hem waren dan de verachte en vervloekte nakomelingen van Cusch, den zoon van Cham; Gen. 10:6.29 Heb Ik Israël niet opgevoerd uit Egypteland, Alsof de Heere zeide: Ik heb u [het is waar] uit de slavernij van Egypte verlost en Kanaän ingegeven, maar gij weet mij daarvoor zo weinig dank, als de Filistijnen en Syriërs, die Ik uit Kaftor en Kir heb uitgevoerd. Of, de Heere wil zeggen dat Hij de verlossing van Israël, vermits hunne ondankbaarheid nu niet meer acht, dan of Hij een hoop heidenen, gelijk Moren en Syriërs, verlost had.30 Kafthor, Zie Gen. 10:14, alwaar de Filistijnen en Kaftorim gesteld worden onder de nakomelingen van Mizraim, den zoon van Cham, Gen. 10:6, en verg. wijders Deut. 2:23, en Jer. 47:4, met de aantekening.31 Syriërs Hebr. Aram; dat is, Syrië, en voorts de Syriërs. Zie Gen. 10:22.32 Kir? Zie 2 Kon. 16:9, en Amos 1:5, alwaar gezegd wordt dat de Syriërs naar Kir gevankelijk zouden worden weggevoerd. Hier schijnt gesproken te worden van hunne verlossing uit Kir, waarvan elders niet vermeld wordt, gelijk bij de profeten verscheidene geschiedenissen worden gevonden, die elders nergens zijn verhaald en in dien tijd bekend waren.Vers 8 Ziet, de ogen des Heeren Heeren zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de Heere.33 Heeren HEEREN Dat is, mijne ogen; zie Amos 9:4.34 zondig koninkrijk, Dat ten enenmale tot zonde is overgegeven. Zie Ps. 1:1. Dit schijnt te zien op Israël, of de tien stammen en Juda tezamen, welker beider koninkrijk verstoord is. Sommigen nemen het aldus: Tegen een zondig koninkrijk, enz., maar met Jakob zal Ik nog genadelijker handelen, dan Ik wel met anderen zal doen. Zie Jer. 30:11.35 aardbodem verdelge; Hebr. aangezicht der aarde.36 ganselijk zal verdelgen, Hebr. verdelgende zal verdelgen; maar een overblijfsel der genade behouden, en dat zonderling zegenen, gelijk in Amos 9:11, enz.Vers 9 Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israëls onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.37 geef bevel, Zie Amos 6:11.38 zeef; Of, wan.39 en niet een Of, maar, doch.40 steentje zal er ter aarde vallen. Dat is, niets dat enige zwaarte heeft, maar alleen het lichte kaf. De gelijkenis wordt genomen van de steentjes, die altemet onder het koren gevonden worden. Anders: graantje; alsof de Heere zeide: Ik zal hen altemaal schudden, daar zal niemand ontgaan, maar Ik zal het door mijne voorzienigheid alzo regeren, dat er niet een van mijne uitverkorenen [vergeleken bij tarwe] zal verloren gaan.Vers 10 Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.41 zondaars Mijns volks Zie Amos 9:8, en Ps. 1:1.42 kwaad Der straf.43 tot ons niet genaken, Of, omtrent ons.44 voorkomen. Of, verrassen, bejegenen. Verg. Amos 5:18, en Amos 6:3, met de aantekening.

Lees heel Amos 9

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.