Davids gebed
Vers 18 Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere Heere, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?34 in, In de tent, die hij voor de ark des verbonds had doen maken; boven 2 Sam. 6:17.35 aangezicht des HEEREN, Zie boven, 2 Sam. 6:14.Vers 19 Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heere Heere, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der mensen, Heere Heere!36 dit in Uw ogen nog klein geweest, Dat Gij tot dezen tijd toe bij mij gedaan hebt.37 tot van verre heen; Dat is, van zaken, die na een langen tijd eerst zullen geschieden.38 wet der mensen, Dat is, gelijk de mensen menselijk plegen te disponeren over hun huis, goed en de nakomelingen. Anders, naar een onderwijzing der mensen; dat is, zeer vrijelijk, gemeenzaamlijk en vriendelijk, gelijk mensen met mensen plegen te spreken en hen te leren. Anders, is dit een wijze der mensen? dat is, alzo met mensen te handelen? Aldus zou de zin zijn: Zijn mensen waardig dat Gij zo vriendelijk van zulke grote toekomende dingen, die in uw raad besloten zijn, tot hen zoudt spreken? Het is te veel en te groot.Vers 20 En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere Heere!Vers 21 Om Uws woords wil, en naar Uw hart hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om aan Uw knecht bekend te maken.39 woords wil, Dat is, om uwer beloften wil. Of, versta door het WOORD den eeuwigen Zoon Gods, die het zelfstandige woord des Vaders is, in welken alle beloften Gods Ja en Amen zijn. Zie 1kron. 17:19; Hagg. 2:6.40 hart Dat is, genadig welbehagen, raad, of, gunstige genegenheid tot mij.41 grote dingen Hebreeuws, al deze grootheid.42 gedaan, David spreekt door geloof en naar der profeten wijze van het toekomende, alsof het reeds volbracht ware, vermits de zekerheid der goddelijke beloften.43 om aan Uw knecht Of, makende [die] uwen knecht bekend.Vers 22 Daarom zijt Gij groot, Heere God! Want er is niemand gelijk Gij, en er is geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.44 alleen Gij, Of, behalve, benevens U.45 naar alles, Dat is, naar uitwijzen van alles, enz.Vers 23 En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, hetwelk God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor ulieden deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende.46 hetwelk Of, dat, dewijl.47 God is heengegaan Hebreeuws, ELOHIM] zijn henen gegaan. Zie van deze manier van spreken Gen. 20:13.48 Naam te zetten, Dit is, tot eer zijns heiligen naams.49 voor ulieden Te weten, o Israël.50 grote Hebreeuws, deze grootheid en verschrikkelijkheden, of vreeslijkheden.51 Uw land, O God.52 verdrijvende. Dit woord is hier ingevoegd uit 1 Kron. 17:21. Anders, aldus: Voor het aangezicht uws volks, dat Gij U verlost hebt van Egypte, van de volken en hun goden.Vers 24 En Gij hebt Uw volk Israël U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid; en Gij, Heere, zijt hun tot een God geworden.53 eeuwigheid; Versta, Israël naar het vlees, tot op de komst van Christus, maar het geestelijke Israël [dat is, de kerk Gods, bestaande uit gelovige Joden en heidenen] in alle eeuwigheid.54 God Zie Gen. 17:7; Lev. 18:2.55 geworden. Of, geweest.Vers 25 Nu dan, Heere God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.Vers 26 En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heirscharen is God over Israël; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht.Vers 27 Want Gij, Heere der heirscharen, Gij, God Israëls! Gij hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden.56 oor Uws knechts Dat is, Gij hebt het mij doen horen, mij geopenbaard, te weten gedaan, dat mij tevoren verborgen was. Zie gelijke manier van spreken, Ruth 4:4, en 1 Sam. 9:15; zie aldaar.57 in zijn hart gevonden, Hebreeuws, zijn hart gevonden, of, met of bij zijn hart gevonden; dat is, hij heeft zich daarover in zijn hart zo gesteld gevonden, dat hij voorgenomen heeft dit gebed tot bewijs zijns geloofs en zijner dankbaarheid voor U uit te spreken.Vers 28 Nu dan, Heere Heere! Gij zijt die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken.Vers 29 Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want Gij, Heere Heere, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.58 met Uw zegen Met deze woorden betuigt David zijn geloof, met hetwelk hij deze beloften Gods aannam, vastelijk vertrouwende dat zij zouden worden volbracht.