Overwinningen van David op de Filistijnen
Vers 17 Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.42 Als nu de Filistijnen hoorden, Vergelijk hiermede de wederhaling van deze geschiedenis, gedaan 1 Kron. 14:8, enz.43 zij David ten koning over Israël gezalfd hadden, Te weten, de Israëlieten.44 zoeken; Om hem, als een vreselijken vijand, intijds te overvallen en met gemener hand te slaan.45 toog af, Met zijn krijgsvolk.46 burg. Om met zijn leger zich bij den burg te onthouden, totdat hij wat zeker mocht hebben besloten. Zie 1 Kron. 14:8.Vers 18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.47 Refaim. Of, der grenzen. Zie Gen. 14:5. Dit dal lag in Juda, Joz. 15:8. Of, aan de noordelijke grenzen van Juda, in Benjamin, ten westen van Jeruzalem.Vers 19 Zo vraagde David den Heere, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de Heere zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.48 vraagde David den HEERE, Vergelijk 1 Sam. 23:9, en 1 Sam. 30:7, en 2 Sam. 2:1, enz.49 zekerlijk in uw hand geven. Hebreeuws, gevende geven.Vers 20 Toen kwam David te Baäl-perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De Heere heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baäl-perazim.50 Baäl-perazim; Alzo naderhand van David genoemd, gelijk in het volgende verhaald wordt.51 De HEERE Of, de HEERE is door mijn vijanden heen doorgebroken, voor mijn aangezicht, gelijk een waterbreuk, of, inbreuk, doorbreking van wateren. De zin schijnt te wezen dat God door zijn macht en Davids dienst [1 Kron. 14:11] de Filistijnen had overvallen en nedergestort, gelijk wateren met macht en sterkelijk doorbreken, en alles overlopen en nedervellen; of, zo licht als water verloopt of, zo licht als water verloopt of gedeeld en verstrooid wordt, heeft God de Filistijnen van elkander verstrooid.52 Baäl-perazim. Dat is, heer, of, meester, bezitter van scheuren, breuken, doorbrekingen; dat is, het plein, of effen der scheuren, de plaats der scheuren.Vers 21 En zij lieten hun afgoden aldaar; en David en zijn mannen namen ze op.53 zij lieten De Filistijnen, die hun afgoden hadden medegenomen, menende door derzelver tegenwoordigheid zeker victorie te bekomen.54 afgoden aldaar; Het Hebreeuwse woord betekent smarten, weedommen, omdat dit de vruchten der afgoderij zijn. Zie 1 Sam. 31:9.55 namen ze op. Om die, volgens Davids bevel, en Gods gebod [Deut. 7:25] met vuur te verbranden, gelijk uitdrukkelijk staat 1 Kron. 14:12. Anders, verbrandde ze, lieten ze opgaan [in het vuur].Vers 22 Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim.56 weder op; Hebreeuws, deden toe, of, voeren voort weder, of, nogmaals op te trekken.57 Refaim. Gelijk tevoren. Zie boven, 2 Sam. 5:18.Vers 23 En David vraagde den Heere, Dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbeziënbomen;58 vraagde den HEERE, Zie boven, 2 Sam. 5:19.Vers 24 En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbeziënbomen, dan rep u; want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.59 geruis van een gang Dat is [gelijk sommigen verstaan], een gedruis als van marcheren, waardoor de tegenwoordigheid der heilige engelen kan worden verstaan.60 rep u; Dat is, maak u op met het krijgsvolk, om de Filistijnen aan te vallen.61 uitgegaan, Zie Richt. 4:14.Vers 25 En David deed alzo, gelijk als de Heere hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat gij komt te Gezer.62 Geba Anders doorgaans genoemd Gibea, gelegen in Benjamin. Zie Richt. 19;13, en Richt. 20:10; 1 Kron. 14:16 staat Gibeon.63 te Gezer Gelegen in Efraïm, in het westen naar de zee toe. Zie Joz. 16:10.