Isbóseth gedood
Vers 1 Als nu Sauls zoon hoorde, dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijn handen slap, en gans Israël werd verschrikt.1 zoon Isboseth.2 slap, Dat is, hij verloor allen moed en dapperheid om tegen David te krijgen. Vergelijk onder, 2 Sam. 17:2; Ezra 4:4; Jes. 13:7, en Jes. 35:3; Jer. 38:4, en Jer. 47:3, en Jer. 50:43; Zef. 3:16.3 verschrikt. Of, beroerd; omdat Abner, met hen gehandeld hebbende van het koninkrijk op David te brengen, nu gestorven was, zulks dat zij niet wisten wat van de zaak zou mogen worden. De anderen, die het nog met Sauls huis hielden, zijn verbaasd geworden door het verlies van dezen krijgsoverste, op welken het huis Sauls steunde.Vers 2 En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden; de naam des enen was Baëna, en de naam des anderen Rechab, zonen van Rimmon, den Beërothiet, van de kinderen van Benjamin; want ook Beëroth werd aan Benjamin gerekend.4 benden; Van stropend en rovend krijgsvolk, gelijk boven, 2 Sam. 3:22.5 Baëna, Hebreeuws, Baänah.6 Beërothiet, Zie Joz. 18:25.7 gerekend. Ofschoon de Benjaminieten na Sauls nederlaag [gelijk in het volgende verhaald worden] daaruit gevlucht waren, en de Filistijnen deze plaats [gelijk andere] mogen hebben ingenomen. Zie 1 Sam. 31:7.Vers 3 En de Beërothieten waren gevloden naar Gitthaim, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag.8 Gitthaim, Neh. 11:33 wordt een stad van dezen naam gesteld in Benjamin. Sommigen menen dat er nog een andere plaats bij de zuidelijke grenzen van Juda is geweest, waarheen zij veiligheidshalve zouden gevlucht zijn, en zich daar zo wel bevonden, dat zij aan het wederkeren niet dachten, totdat de zaken van Sauls huis aldus waren verlopen, en dit beschreven werd ten tijde als het verser daad geschied was.Vers 4 En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth.9 Jonathan, Die in den strijd met zijn vader Saul gebleven was.10 geslagen was aan beide voeten; Dat is, lam; gelijk volgt. Alzo onder, 2 Sam. 9:3.11 vijf jaren was hij oud Hebreeuws, hij was een zoon van vijf jaren.12 gerucht De tijding van de nederlaag.13 Mefiboseth. Hebreeuws, Mefiboscheth, ander genoemd Merib-baal, 1 Kron. 8:34.Vers 5 En de zonen van Rimmon: den Beërothiet, Rechab en Baëna, gingen heen, en kwamen ten huize van Isboseth, als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in den middag.14 gingen heen, Ziende dat Isboseths zaken, na Abners dood, van kleinen omvang waren, en dat David ongetwijfeld aan het koninkrijk zou komen, dewijl Mefiboseth, als lam zijnde, [gelijk in 2 Sam. 4:4 verhaald is] ongeschikt was tot de opvolging en zijn wraak niet te vrezen, zo hebben zij dezen moord bestaan om bij David in gunst te geraken.15 als de dag heet geworden was; Of, omtrent de hitte des daags.16 lag op de slaapstede, Om te rusten, of een middagslaap te nemen. Vergelijk onder, 2 Sam. 11:2.Vers 6 En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde rib; en Rechab en zijn broeder Baëna ontkwamen.17 tarwe halen; Zich verstellende en gelatende alsof zij korenlopers, of korendragers waren.18 vijfde rib; Gelijk boven, 2 Sam. 2:23, en 2 Sam. 3:27.Vers 7 Want zij kwamen in huis, als hij op zijn bed lag, in zijn slaapkamer, en sloegen hem, en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen henen, den weg op het vlakke veld, den gansen nacht.19 hieuwen zijn hoofd af; Hebreeuws, deden zijn hoofd weg, of af.20 vlakke veld, Van Mahanaïm [waar Isboseth hof hield; boven, 2 Sam. 2:8,29] de Jordaan passerende, gingen zij haastelijk over de vlakke velden van Jericho naar Hebron.