Advertentie

2 Samuël 3:6-21

16 verzen · 34 kanttekeningen · Statenvertaling

Abners verbond met David

Vers 6 Terwijl die krijg was tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David, zo geschiedde het, dat Abner zich sterkte in het huis van Saul.11 sterkte Bekomende, door zijn grote manhaftigheid en kloeke daden, zonderlinge macht, autoriteit en aanzien, zelfs bij den koning Isboseth, gelijk blijkt in het volgende. Anders, zich kloekelijk gedroeg voor Sauls huis.Vers 7 Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, dochter van Aja; en Isboseth zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf?12 Rizpa, Van deze, zie onder, 2 Sam. 21:8,10,11, enz.13 ingegaan Dat is, hebt bij haar gelegen. Het schijnt dat Isboseth vermoeden heeft gehad, alsof Abner wel mocht trachten naar het koninkrijk.Vers 8 Toen ontstak Abner zeer over Isboseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan het huis van Saul, uw vader, aan zijn broederen en aan zijn vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid ener vrouw?14 ontstak Abner zeer Hebreeuws, ontstak den Abner zeer; te weten de toorn. Zie Gen. 4:5.15 hondskop, Dat is, veracht, of van geen waarde. Vergelijk 1 Sam. 24:15, en Deut. 23:18, onder, 2 Sam. 9:8, en 2 Sam. 16:9.16 ik, die tegen Juda, Anders, die van, met, of voor Juda is? Zou ik heden, enz.; dat is, alsof ik het met Juda hield, of tot Juda overgelopen was, of tot Juda behoorde? Daar ik integendeel zo en zo gedaan heb en nog doe, enz.17 overgeleverd heb in Davids hand, Hebreeuws, heb doen vinden; dat is, heb doen vallen, of overgeleverd in Davids hand.18 aan mij onderzoekt Of, gij legt mij te last, bezoekt mij heden [vanwege] enz. Of, bezoekt over mij; dat is, gij wilt mij onderzoeken en als terechtstellen en straffen om een misdaad, die ik aan deze vrouw zou hebben bedreven? Daar gij zulks behoordet over te zien. Of, gij straft mij alsof het waar is. Is dit mijn loon voor al mijn getrouwe diensten? Zo onverdragelijk viel hem deze bestraffing.19 ener vrouw? Dat is, met ene, of deze vrouw bedreven.Vers 9 God doe Abner zo, en doe hem zo daartoe! Voorzeker, gelijk als de Heere aan David gezworen heeft, dat ik even alzo aan hem zal doen.20 God doe Abner zo, Van deze manier van zweren, zie Ruth 1:17, en 1 Kon. 19:2.21 HEERE aan David gezworen heeft, Niettegenstaande hij dat wel wist, had hij evenwel Sauls huis voorgestaan en David tegengestaan. Zie ook 2 Sam. 3:18.Vers 10 Overbrengende het koninkrijk van het huis van Saul, en oprichtende den stoel van David over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-seba toe.22 oprichtende Of, bevestigende.23 Dan tot Ber-seba toe. Dit waren de uiterste landpalen van Kanaän: Dan in het noorden en Berseba in het zuiden. Zie 1 Kon. 4:25.Vers 11 En hij kon Abner verder niet een woord antwoorden, omdat hij hem vreesde.24 hij kon Abner verder niet een woord antwoorden, Isboseth.25 vreesde. Zorgende dat hij harder behandeld zijnde, wel in ernst mocht doen, hetgeen hij maar uit toornigheid scheen te dreigen, en dat vanwege zijn macht en het aanzien, dat hij had; boven, 2 Sam. 3:6.Vers 12 Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie, mijn hand zal met u zijn, om gans Israël tot u om te keren.26 voor zich tot David, Of, in zijn plaats; dat is, inplaats van zelf te komen, of, uit zijn eigen naam, maar niet uit des konings Isboseths of des rijks naam. Anders, inplaats van dat; dat is, daarom, derhalve.27 Wiens is het land? Hij wil zeggen: Het koninkrijk van Israëls land komt toch niemand toe dan u, wien het van God beloofd is.Vers 13 En hij zeide: Wel, ik zal een verbond met u maken; doch een ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat gij Michal, Sauls dochter, te voren inbrengt, als gij komt om mijn aangezicht te zien.28 hij zeide: David.29 Wel, Of, het is wel, het is goed; dat is, uw voorslag bevalt mij wel, ik neem dat aan.30 zeggende: Dat is, te weten dit, enz.31 aangezicht niet zien, Vergelijk Gen. 43:3.32 Michal, Davids eerste huisvrouw, van welke de Schriftuur betuigt, dat zij hem beminde en hem getrouw was geweest; 1 Sam. 18:20,28, en 1 Sam. 19:11,12.Vers 14 Ook zond David boden tot Isboseth, den zoon van Saul, zeggende: Geef mij mijn huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb.33 boden tot Isboseth, Om alzo Abner gelegenheid te geven, dat hij, zonder Isboseths achterdenken, zijn belofte mocht volbrengen.34 honderd voorhuiden der Filistijnen Volgens Sauls eis, die David door dat middel meende van kant te helpen door de Filistijnen. Zie 1 Sam. 18:25-27.Vers 15 Isboseth dan zond heen, en nam haar van den man, van Paltiël, den zoon van Laïs.35 Isboseth dan zond heen, Zonder twijfel door Abner overreed zijnde, dien hij, vermits vrees, niets durfde weigeren.36 nam haar Dat is, liet haar door de gezonden boden nemen.37 Paltiël, Ook genaamd Palti, aan wien Saul deze Michal, nadat David gevlucht was, ter vrouw gegeven heeft; 1 Sam. 25:44.Vers 16 En haar man ging met haar, al gaande en wenende achter haar, tot Bahurim toe. Toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder. En hij keerde weder.38 Bahurim toe. Gelegen in Benjamin, onder, 2 Sam. 19:16, nabij de grenzen van Juda, naar uitwijzen der kaarten.Vers 17 Abner nu had woorden met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot een koning over u begeerd.39 woorden met de oudsten van Israël, Hebreeuws, Abners woord [of handel, raadslag] was, of was geweest met, enz. Vergelijk 1 Kon. 1:7, en Num. 31:16.40 te voren lang tot een koning over u begeerd. Hebreeuws, ook gisteren, ook eergisteren.Vers 18 Zo doet het nu; want de Heere heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand van David, Mijn knecht, zal Ik Mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen, en van de hand van al hun vijanden.Vers 19 En Abner sprak ook voor de oren van Benjamin. Voorts ging Abner ook heen, om te Hebron voor Davids oren te spreken alles, wat goed was in de ogen van Israël, en in de ogen van het ganse huis van Benjamin.41 ook voor de oren van Benjamin. Gelijk hij met de oudsten van Israël gedaan had.42 spreken Om David rapport te doen van al hetgeen dat Israël, en bijzonderlijk Benjamin, goedgevonden en verklaard hadden.43 ganse huis van Benjamin. Versta, het merendeel; want er waren nog al velen het huis Sauls toegedaan, dewijl Saul uit Benjamins stam gesproten was. Zie 1 Sam. 9:16, en 1 Sam. 10:20,21; 1 Kron. 12:29, en vergelijk deze manier van spreken met Matth. 3:5, en Fil. 2:21, enz.Vers 20 En Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem. En David maakte Abner, en den mannen, die met hem waren, een maaltijd.Vers 21 Toen zeide Abner tot David: Ik zal mij opmaken, en heengaan, en vergaderen gans Israël tot mijn heer, den koning, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles, wat uw ziel begeert. Alzo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.44 over alles, Of, naar alles, of, ganselijk als enz.; dat is, naar uws harten wens.

Lees heel 2 Samuël 3

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.