Advertentie

2 Samuël 24:15-25

11 verzen · 26 kanttekeningen · Statenvertaling

Pest in Israël

Vers 15 Toen gaf de Heere een pestilentie in Israël, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen.30 tot den gezetten tijd Dien God door den profeet Gad had uitgedrukt, te weten, drie dagen lang. Sommigen verstaan door den gezetten tijd den tijd des avondoffers van den eersten dag, zulks dat de tijd door Davids berouw en gebeden [waarvan in het volgende] van God verkort is.31 Dan tot Ber-seba toe, Dat is, door het ganse land, gelijk 2 Sam. 24:2.Vers 16 Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde het den Heere over dat kwaad, en Hij zeide tot den engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des Heeren nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.32 engel Dien God daartoe uitgezonden had; 1 Kron. 21:15.33 verderven, Door de pestilentie.34 berouwde Zie Gen. 6:6.35 Arauna, Onder, 2 Sam. 24:18, genoemd Aranja, en 1 Kron. 21:15 Ornan.36 Jebusiet. Maar bekeerd tot de ware religie. Jeruzalem was tevoren Jebus genoemd en van de heidense Jebusieten bewoond. Zie Richt. 1:21, en Richt. 19:10,12 en boven, 2 Sam. 5:6.Vers 17 En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den Heere, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.37 zag, Want de engel verscheen in mensengedaante, tussen hemel en aarde, hebbende een bloot zwaard in zijn hand; 1 Kron. 21:16.38 gezondigd, In het tellen des volks.39 gedaan? Hij verstaat het volk, dat wel aan deze zonde van David geen schuld had, maar anderszins deze straf verdiend had.40 huis. Dat is, mijn bloedvrienden, die mij mede geraden of immers niet ontraden hebben.Vers 18 En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zeide tot hem: Ga op, richt den Heere een altaar op, op den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.41 op, Uit uw slot, naar het gebergte, genoemd Moria, daar de huizing van Arauna was, waar Abraham bevolen was zijn zoon te offeren, Gen. 22:2,14, en naderhand de tempel gebouwd is. Zie 1 Kron. 22:1, enz., en 2 Kron. 3:1.42 Arauna, Boven en onder genoemd Arauna.Vers 19 Alzo ging David op naar het woord van Gad, gelijk als de Heere geboden had.43 geboden had. Door den engel, dien God bevel gegeven had den profeet Gad zulks aan te dienen; 1 Kron. 21:18.Vers 20 En Arauna zag toe, en zag den koning en zijn knechten tot zich overkomen; zo ging Arauna uit, en boog zich voor den koning met zijn aangezicht ter aarde.Vers 21 En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om dezen dorsvloer van u te kopen, om den Heere een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.44 zijn knecht? Dat is, tot mij.45 opgehouden worde Vergelijk Num. 16:48.Vers 22 Toen zeide Arauna tot David: Mijn heer de koning neme en offere, wat goed is in zijn ogen; zie, daar de runderen ten brandoffer, en de sleden en het rundertuig tot hout.46 goed is in zijn ogen; Dat is, dat hem gelieft of behaagt.47 runderen Want Arauna was aan het dorsen, waartoe men gebruikte runderen of ossen, die den getakten dorswagen, of slede, over het koren omtrokken. Zie Deut. 25:4.48 hout. Om de offerande met vuur aan te steken.Vers 23 Dit alles gaf Arauna, de koning, aan den koning. Voorts zeide Arauna tot den koning: De Heere uw God neme een welgevallen in u!49 gaf Arauna, Zoveel hem aanging; maar David wilde het niet aannemen.50 koning, aan den koning. Sommigen menen dat hij een koning genoemd wordt, omdat hij zich zo liberaal hier gedroeg, alsof hij een koning geweest ware. Anderen verstaan dat hij der Jebusieten koning geweest is, eer David den burg Zion innam. Anderen menen dat koning zijn toenaam is geweest.51 neme een welgevallen in u. Dat is, tone dat Hij u, mitsgaders uw gebeden en offeranden, genadiglijk in den Messias aanzie en aanneme; waarvan gebleken is door het vuur, dat God van den hemel zond op het brandofferaltaar; 1 Kron. 21:26.Vers 24 Doch de koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik zal het zekerlijk van u kopen voor den prijs; want ik zal den Heere, mijn God, niet offeren brandofferen om niet. Alzo kocht David den dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen.52 zekerlijk Hebreeuws, kopende kopen.53 niet. Die mij van een ander omniet zouden gegeven zijn, maar van hetgeen dat mijne is.54 vijftig zilveren sikkelen. Dit wordt verstaan van den prijs der runderen en van het andere gereedschap; want de ganse plaats heeft hij gekocht voor zeshonderd gouden sikkelen, 1 Kron. 21:25. Sommigen verstaan dat hier gesproken wordt van den koop der dorsvloers en der runderen; maar 1 Kron. 21:25 van den koop der ganse plaats, waarop de tempel gebouwd is. Van gouden sikkelen, zie Gen. 24:22.Vers 25 En David bouwde aldaar den Heere een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Alzo werd de Heere den lande verbeden, en deze plage van over Israël opgehouden.55 lande verbeden, Dat is, de inwoners des lands verzoend, door het middel der gebeden, die geschiedden in het geloof van den Messias en van zijn enig zoenoffer, waarvan deze offeranden een voorbeeld waren.

Lees heel 2 Samuël 24

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.