Advertentie

2 Samuël 24:1-14

14 verzen · 29 kanttekeningen · Statenvertaling

David tot een volkstelling gedreven

Vers 1 En de toorn des Heeren voer voort te ontsteken tegen Israël; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israël en Juda.1 voer voort Dit schijnt te zien op den voorgemelden driejarigen honger, waarvan boven, 2 Sam. 21:1, enz.2 Hij porde Te weten, de Heere. Niet dat Hij zulks zou hebben ingegeven, maar omdat Hij, naar zijn rechtvaardig oordeel, door zijn verborgen regering, den satan zulks heeft willen toelaten, en hem gebruiken tot een verdiende straf der Israëlieten, en tot kastijding en vernedering van David; uit vergelijking van 1 Kron. 21:1, waar deze historie wordt wederhaald.3 tegen henlieden, Te weten, tegen de Israëlieten; dat is, tot straf der Israëlieten. Anders, onder henlieden.4 zeggende: Zie boven, 2 Sam. 16:10, en vergelijk 1 Sam. 26:19, en 1 Kon. 22:22.Vers 2 De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.5 Dan tot Ber-seba toe, De twee uiterste landpalen van Kanaän. Dan in het noorden en Berseba in het zuiden.6 tel het volk, Gij en uw gezelschap, dat gij mede zult nemen, zullen tellen allen die tot den strijd bekwaam zijn, van twintig jaren af en daar boven. Zie Num. 1:3, en onder, 2 Sam. 24:9. Doch sommigen menen dat Davids zonde principalijk daarin bestaan heeft dat David ook bevolen heeft te tellen die onder de twintig jaar waren, ten strijde bekwaam. Waaruit ook [naar hun gevoelen] ontstaan zou de verscheidenheid van het getal verhaal hier 2 Sam. 24:9, en 1 Kron. 21:5.7 opdat ik Hiermede toont David dat hij door enkele nieuwsgierigheid en hoogmoed gedreven wordt; hetwelk Joab en andere oversten merkende, gezocht hebben David dit te ontraden. Vergelijk 1 Kron. 21:3,6, en 1 Kron. 27:23.Vers 3 Toen zeide Joab tot den koning: Nu doe de Heere, uw God, tot dit volk, zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer den koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak?8 deze Zoals elke stam nu is.Vers 4 Doch des konings woord nam de overhand tegen Joab, en tegen de oversten des heirs. Alzo toog Joab uit, met de oversten des heirs, van des konings aangezicht, om het volk Israël te tellen.Vers 5 En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroër, ter rechterhand der stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jaëzer.9 in het midden Aroër was gelegen in den stam van Gad, midden tussen de beide beken Arnons, waarvan de ene afliep in de Jordaan, de andere tot in de Dode zee. Zie ook Deut. 2:36.10 Jaëzer. Gelegen aan de beek Arnon, waar zij van het noorden naar het zuiden loopt.Vers 6 Voorts kwamen zij in Gilead, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij tot Dan-jaän, en rondom bij Sidon.11 Gilead, Strekkende van de beek Arnon tot aan de noordpalen van Kanaän.12 lage land Hodsi; Hebreeuws, het land Tachtim Chodschi; dat sommigen vertalen, het land dergenen, die in de laagte wonen, nieuwelijks [bewoond, of verkregen], te weten, bij Sauls tijd, gelijk sommigen menen. Zie 1 Kron. 5:10. Anderen duiden het op der Ammonieten en Moabieten land, waarvan boven 2 Sam. 8:2, en 2 Sam. 12:29,30,31. Sommigen houden het voor een eigennaam van zekere streek.13 Dan-jaän, Dit houdt men te wezen de stad Dan, de noordergrenzen van Kanaän, vermeld 2 Sam. 24:2, tevoren genoemd Laïs en Leschem, Joz. 19:47; Richt. 18:29.14 Sidon. Zie Richt. 18:7.Vers 7 En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Hevieten en der Kanaänieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-seba.15 Tyrus, Zie Joz. 19:29.Vers 8 Alzo togen zij om door het ganse land; en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.Vers 9 En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israël waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.16 van het getelde volk Hebreeuws, der telling.17 achthonderd duizend Te weten, naar sommiger gevoelen, boven het ordinaire en bekende krijgsvolk, bedragende 288.000 met de oversten, hebbende onder zich 24.000, gelijk verhaald wordt 1 Kron. 27:1, enz. Dezen onder dit getal mede gerekend zijnde, vindt men omtrent het grotere getal, dat 1 Kron. 21:5 staat. Zie wijder 2 Sam. 24:2.18 zwaard uittrokken, Zie Richt. 8:10.19 vijfhonderd duizend Het ordinaire bestelde krijgsvolk van Juda, daaronder [naar sommiger gevoelen] mede gerekend zijnde, hetwelk 1 Kron. 21:5 is uitgelaten [omdat zij daar alrede gerekend waren onder de elf honderd duizend] en waarvan de oversten verhaald zouden zijn boven, 2 Sam. 23:8, enz. Het is ook aanmerkelijk dat Joab de stammen van Levi en Benjamin niet heeft willen tellen, misschien ook niet de stad Jeruzalem. Zie 1 Kron. 21:6, en 1 Kron. 27:24.Vers 10 En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den Heere: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o Heere, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.20 Davids hart sloeg hem, Vanwege nadenken, droefenis, schrik en berouw over zijn begane zonde. Zie dezelfde manier van spreken 1 Sam. 24:6, met de aantekeningen.21 neem toch de misdaad Zie boven, 2 Sam. 12:13.Vers 11 Als nu David des morgens opstond, zo geschiedde het woord des Heeren tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende:22 Gad, Zie van dezen 1 Sam. 22:5; 1 Kron. 29:29.23 ziener, Zie 1 Sam. 9:9.Vers 12 Ga heen, en spreek tot David: Alzo zegt de Heere: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u een uit die, dat Ik u doe.24 draag Ik u voor; Of, leg Ik u op; dat is, Ik stel u drie plagen voor; welke gij zult kiezen, die zal Ik u opleggen of toezenden.Vers 13 Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.25 zeven jaren De voorgaande drie jaren [waarvan boven, 2 Sam. 21:1], en het vierde [waarin dit geschiedde] daarbij gerekend, zijn het zeven jaren; welverstaande den tijd hieronder gerekend, in welken de honger is opgehouden; anders maar drie, welk getal staat 1 Kron. 21:12. Sommigen nemen zeven jaren voor een langen tijd, waarvoor drie jaren staan in de Kronieken. Enigen menen dat God in het handelen met David eerst wel zeven, en daarna, die verzachtende, minder [te weten, drie] heeft voorgesteld.26 dat die u vervolgen? Hebreeuws, dat hij [te weten een ieder uwer vijanden] u vervolge; versta daarbij, en u achterhalende vijandiglijk handele. Zie 1 Kron. 21:12.Vers 14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.27 hand des HEEREN vallen, Alzo, dat Hij ons zelf zonder tussenkomen van mensen kastijde.28 vele, Of, groot.29 mensen niet vallen. Hebreeuws, eens mensen; te weten, mijner vijanden, bij welken ik geen barmhartigheid gevonden heb.

Lees heel 2 Samuël 24

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.