2 Samuël 23:8-39
Davids helden
Vers 8 Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.Vers 9 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israel waren opgetogen.Vers 10 Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en de Heere wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.Vers 11 Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;Vers 12 Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en de Heere wrocht een groot heil.Vers 13 Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaim.Vers 14 En David was toen in een vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.Vers 15 En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?Vers 16 Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den Heere.Vers 17 En zeide: Het zij verre van mij, o Heere, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.Vers 18 Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drieen; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.Vers 19 Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.Vers 20 Voorts Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kabzeel; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd.Vers 21 Daartoe sloeg hij een Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand des Egyptenaars was een spies, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en doodde hem met zijn eigen spies.Vers 22 Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder de drie helden.Vers 23 Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijn trawanten.Vers 24 Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;Vers 25 Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;Vers 26 Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;Vers 27 Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;Vers 28 Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;Vers 29 Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;Vers 30 Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;Vers 31 Abi-albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;Vers 32 Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;Vers 33 Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;Vers 34 Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;Vers 35 Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;Vers 36 Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;Vers 37 Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;Vers 38 Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;Vers 39 Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.