Hongersnood in Israël. De wraak der Gibeonieten
Vers 1 En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht des Heeren. En de Heere zeide: Het is om Saul en om des bloedhuizes wil, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.1 zocht Om van God door urim en thummim de oorzaak van dezen duren tijd te weten, en alsdan behoorlijke middelen te gebruiken tot stilling van Gods toorn. Zie Num. 27:21.2 gedood heeft. Tegen de belofte, die hun met ede gedaan was, gelijk volgt. Zie Joz. 9:15,18, enz.; om deze misdaad wordt het ganse land gestraft, dewijl het volk Sauls verkeerden ijver geprezen, of immers [gelijk het dan dikwijls gebeurt] niet had belet, noch daarover enige vergoeding aan de Gibeonieten tot dezen tijd toe gedaan was. Van deze daad Sauls heeft de Heilige Schrift tevoren niets vermeld.Vers 2 Toen riep de koning de Gibeonieten, en zeide tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israëls, maar van het overblijfsel der Amorieten; en de kinderen Israëls hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de kinderen van Israël en Juda.)3 overblijfsel der Amorieten; Dat is, overgebleven van de vorige heidense inwoners van het land Kanaän, die God bevolen had te verdelgen, en in het algemeen ook Amorieten genoemd worden. Anders waren zij Hevieten, Joz. 9:7, en Joz. 11:19.4 ijver Versta, een ongeregelden en geveinsden ijver, waardoor hij meende te verbeteren wat door Jozua en andere vrome regenten, naar zijn zin, verzuimd of kwalijk gedaan was. Maar het streed tegen den eed, die bij Gods naam, door zijn bijzondere voorzienigheid, gedaan was. Waarom ook God hierover nu vertoornd was, gelijk uit deze landplaag en Gods antwoord blijkt.Vers 3 David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des Heeren zegent?5 gij Hebreeuws, dat zij; te weten, uw landslieden.6 erfdeel des HEEREN zegent? Dat is, dat gij niet meer tot God klaagt, maar het volk Gods [gelijk 2 Sam. 20:19] deze straf helpt afbidden, en alles goeds weder toebidden.Vers 4 Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in Israël. En hij zeide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal?7 Israël. Uitgezonderd Sauls huis, gelijk volgt.8 hij zeide: De koning.Vers 5 En zij zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enige landpale van Israël;9 De man die ons te niet gemaakt, Te weten, Saul; zo onwaardiglijk spreken zij van hem.10 gedacht heeft, Voorgehad, voorgenomen, gepraktiseerd heeft.Vers 6 Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen den Heere ophangen te Gibea Sauls, o, gij verkorene des Heeren! En de koning zeide: Ik zal hen geven.11 zonen gegeven worden, Dat is, van zijn nakomelingen, kinderen, of kindskinderen, enz. behorende tot het bloedhuis Sauls, vermeld 2 Sam. 21:1.12 den HEERE ophangen Tot zijn eer, bij wiens naam de eed gedaan is van ons te verschonen; of om hem te bevredigen.13 o, gij verkorene des HEEREN! Gelijk zij verachtelijk in 2 Sam. 21:5 gesproken hebben van Saul, zo spreken zij hier ter contrarie David zeer eerbiediglijk aan. Anders, des verkorenen des Heeren, verstaande zulks van Saul; dien zij alzo zouden noemen om zijn misdaad aan hen begaan, tegen den eed Gods, te vergroten.Vers 7 Doch de koning verschoonde Mefiboseth, den zoon van Jonathan, den zoon van Saul, om den eed des Heeren, die tussen hen was, tussen David en tussen Jonathan, Sauls zoon.14 des HEEREN, Zie 1 Sam. 20:15,16,17.Vers 8 Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster, Sauls dochter, die zij Adriël, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had;15 Rizpa, Sauls bijwijf, boven, 2 Sam. 3:7, en onder, 2 Sam. 21:11.16 zuster, Namelijk, Merab, die dezen Adriël tot een man gehad heeft, 1 Sam. 18:19. Alzo wordt het woord broeder van sommigen ingevoerd, onder, 2 Sam. 21:19, en zoon, Jer. 32:12. Sommigen verstaan hier door Michals zonen de zonen van haar zuster Merab, die Michal zou hebben opgevoed, en derhalve genoemd geweest haar moeder. Vergelijk Ruth 4:17.17 Meholathiet, Hebreeuws, Mecholatiet. Uit Manasse aan de westzijde der Jordaan, waar Abel-Mehola lag. Zie Richt. 7:22, tot onderscheiding van Barzillai, den Gileadiet, Davids vriend, boven, 2 Sam. 19:31, enz.Vers 9 En hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des Heeren; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van den oogst, in de eerste dagen, in het begin van den gersteoogst.18 berg Te Gibea Sauls, gelijk boven, 2 Sam. 21:6, niet ver van Silo, Gibeon en Nobe, in welke plaatsen de tent der samenkomst geweest is. Zie boven, 2 Sam. 6:17.19 vielen tegelijk; Dat is, kwamen om.Vers 10 Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst, totdat er water op hen drupte van den hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.20 zak, Dat is, een grof kleed, als een tent, om daaronder des nachts en des daags, uit moederlijke liefde bij de dode lichamen harer kinderen te blijven, die men anders gewoonlijk naar de wet, Deut. 21:23, op denzelfden dag had moeten afnemen en begraven; maar het schijnt dat dezen hebben moeten hangen, totdat God door den regen betoonde met het land verzoend te zijn, dewijl God de duurte door droogte veroorzaakt had.21 spande dien Anders, spreidde.22 hen drupte van den hemel; De dode lichamen.23 op hen niet rusten des daags, Om de dode lichamen ongeschonden te houden ter begrafenis.Vers 11 En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.Vers 12 Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-san, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.24 gestolen hadden Zie de historie 1 Sam. 31:10,11,12,13.25 Gilboa. Het gebergte van Gilboa.Vers 13 En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen.26 beenderen van Saul, Nadat de lichamen verbrand waren, gelijk afgenomen wordt uit 1 Sam. 31:12. Zie aldaar.Vers 14 En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.27 Zela, Zie Joz. 18:28.28 Kis, Zie 1 Sam. 9:1,2.29 den lande verbeden. Dat is, den inwoners des lands, den Israëlieten, zodat Hij de plaag des hongers wegnam en weder regen gaf met vruchtbaarheid. Vergelijk onder, 2 Sam. 24:25.