Oproer van Seba
Vers 1 Toen was daar bij geval een Belials man, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een man van Jemini; die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David, en wij hebben geen erfenis aan den zoon van Isaï, een iegelijk naar zijn tenten, o Israël!1 Belials man, Zie Deut. 13:13.2 Seba, Hebreeuws, Scheba.3 Jemini; Zie boven, 2 Sam. 16:11.4 iegelijk Versta hierop, vertrekke, begeve zich.5 Israël! Hij spreekt die van Israël aan, die met Juda getwist en zich beklaagd hadden dat zij verongelijkt waren. Zie 2 Sam. 19:41,43.Vers 2 Toen toog alle man van Israël op van achter David, Seba, den zoon van Bichri, achterna; maar de mannen van Juda kleefden hun koning aan, van de Jordaan af tot aan Jeruzalem.6 van achter David, Dat is, zij verlieten David en volgden Seba na.7 kleefden hun koning aan, Zij verlieten hem niet, gelijk de andere stammen, maar bleven bij hem, geleidende hem voorts tot Jeruzalem toe.Vers 3 Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de koning de tien vrouwen, zijn bijwijven, die hij gelaten had, om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in. En zij waren opgesloten tot op den dag van haarlieder dood, levende als weduwen.8 tien vrouwen, Zie boven, 2 Sam. 15:16.9 deed ze De oorzaak, zie boven, 2 Sam. 16:22.10 ging tot haar niet in. Zie Gen. 6:4.11 opgesloten Hebreeuws, gebonden; dat is, alzo besloten, alsof zij gevangen en gebonden waren geweest; tenware dan, dat zij in Absaloms feit mochten hebben geconsenteerd.12 levende als weduwen. [In] weduwschap des levens; dat is, levende als weduwen, of als weduwen zijnde, haar leefdagen. Of, weduwen welker man nog leefde.