Husai's raad gevolgd; dien van Achitófel verworpen
Vers 1 Voorts zeide Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achterna jage.Vers 2 Zo zal ik over hem komen, daar hij moede en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik den koning alleen slaan.1 slap van handen is, Zie boven, 2 Sam. 4:1.Vers 3 En ik zal al het volk tot u doen wederkeren; de man, dien gij zoekt, is gelijk het wederkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.2 de man, Hij wil zeggen: Het is u toch om David te doen; het volk zoudt gij gaarne tot u trekken. Als ik nu David zal hebben omgebracht, daarmede zal het gedaan zijn, zo zal ik het volk lichtelijk tot u wenden, ja zijn dood is inderdaad de wederkering van al het volk, dat tevreden zal zijn en u voor koning aannemen, als maar David vankant is. Anders, als zij allen wederkeren [hij is [toch] de man, dien gij zoekt] [zo] zal al het volk tevreden zijn.3 vrede zijn. Hebreeuws, zal vrede zijn. Vergelijk 1 Sam. 25:6; onder 2 Sam. 20:8; Job 21:9, enz.Vers 4 Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten Israëls.4 woord nu Of, deze zaak, deze raad.5 recht Dat is, beviel Absalom wel, docht hem recht en goed te zijn.Vers 5 Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai, den Archiet, en laat ons horen, wat hij ook zegt.6 wat hij ook zegt. Hebreeuws, wat hij ook [hebbe] in zijn mond.Vers 6 En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek gij.7 Aldus heeft Achitofel gesproken; Hebreeuws, naar ditzelve woord; dat is aldus, in deze manier heeft hij geraden.8 gij. Geef gij ook uw raad.Vers 7 Toen zeide Husai tot Absalom: De raad, dien Achitofel op ditmaal geraden heeft, is niet goed.9 ditmaal geraden heeft, Alsof hij zeide: Hij is anders een kloek raadsheer, maar hierin heeft hij gefeild.Vers 8 Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.10 gemoed zijn, Hebreeuws, ziel; gelijk Richt. 18:25; dat is, bitterlijk vertoornd.11 met het volk. Maar zich van hen afgeven, en ergens in een onbekende plaats versteken of verzekeren, gelijk hij in zijn ballingschap bij Sauls tijden dikwijls gedaan had.Vers 9 Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.12 plaatsen. Die hem van Sauls tijden af bekend zijn.13 onder hen vallen, Onder degenen, die David vervolgen. Anders, door hen; dat is, door Davids krijgslieden mochten geslagen worden.14 een ieder, Hebreeuws, de horende zal horen en zeggen.15 navolgt. Hebreeuws, achter Absalom is.Vers 10 Zo zou hij, die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want gans Israël weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn.16 dapper man is, Hebreeuws, een zoon, of, kind der dapperheid, kloekheid. Zie boven, 2 Sam. 3:34. Alzo in het volgende.17 te enen male smelten; Hebreeuws, smeltende smelten; dat is, gans moedeloos en versaagd worden. Zie Deut. 1:28.Vers 11 Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde gans Israël, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in den strijd.18 in alle haast Hebreeuws, verzameld wordende verzameld worden.19 Dan tot Ber-seba toe, De twee uiterste landpalen in het noorden en zuiden.20 persoon Hebreeuws, uw aangezicht.Vers 12 Dan zullen wij tot hem komen, in een der plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten.21 gemakkelijk overvallen, Of, belegeren, of tegen hem zijn.Vers 13 En indien hij zich in een stad zal begeven, zo zal gans Israël koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje aldaar gevonden worde.22 beek nedertrekken, Dat is, in de gracht.23 gevonden worde. Te weten, op den anderen liggende; hij wil zeggen: Wij zullen de stad lichtelijk en geheellijk verwoesten of uitroeien.Vers 14 Toen zeide Absalom, en alle man van Israël: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitofels raad. Doch de Heere had het geboden, om den goeden raad van Achitofel te vernietigen, opdat de Heere het kwaad over Absalom bracht.24 geboden, Dat is, alzo gewild, verordineerd, en door zijn Goddelijke voorzienigheid ten beste van David geschikt. Vergelijk boven, 2 Sam. 16:10,11,12, en zie Lev. 25:21; Amos 6:11, en Amos 9:3; Nah. 1:14; idem Ps. 33:9, en Ps. 111:9, en Ps. 148:5.25 goeden raad Dienstiger voor Absalom, om David te overvallen en geen tijd van rust te geven; hoewel deze raad in zichzelven onrechtvaardig was.26 kwaad De welverdiende straf, waarvan in het volgende.