David vlucht voor Absalom
Vers 14 Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.20 ontkomen zijn Indien wij lang hier vertoefden, hij zou ons overvallen, wij zouden zijn hand niet kunnen ontkomen.21 drijve, Hebreeuws, aandrijve.22 stad Dat is, de inwoners van Jeruzalem.23 met de scherpte des zwaards. Hebreeuws, aan den mond des zwaards.Vers 15 Toen zeiden de knechten des konings tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.24 ziet, hier zijn uw knechten. Dat is, wij zijn bereid en willig om u te volgen, en te doen wat u belieft, wat gij gebiedt. Vergelijk onder, 2 Sam. 19:38, en Ps. 25:12. Zie ook Gen. 22:1.Vers 16 En de koning ging uit met zijn ganse huis te voet; doch de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren.25 te voet; Hebreeuws, op, of met zijn voeten; en zo in het volgende. Vergelijk 2 Sam. 15:30. Anders, aan zijn voeten; dat is, achter hem, of hem volgende.26 tien bijwijven, Hebreeuws, tien wijven, bijwijven.Vers 17 Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.27 verre plaats. Hebreeuws, in een huis [dat is, plaats] der verheid. De zin is: als zij een stuk wegs van de stad gekomen waren, hielden zij stil, om zich in orde te stellen en alzo over de beek Kidron te gaan.Vers 18 En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezicht heen.28 knechten Dat is, officieren en hovelingen, gelijk dikwijls.29 Krethi Dat is, zijn lijfgarde. Zie 1 Kon. 1:38.30 Gath Zie boven, 2 Sam. 6:10, en 2 Sam. 8:1.31 te voet gekomen waren, Hebreeuws, op zijn voeten. Versta, dat een ieder van hen te voet gekomen was.Vers 19 Zo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uw plaats.32 Ithai, Den overste der zes honderd, die van Gath tot David gekomen waren, houdende garnizoen [gelijk sommigen menen] in de stad Gath, die David den Filistijnen afgenomen had. Zie boven, 2 Sam. 8:1. Deze is van David mede gebruikt als een krijgsoverste; onder, 2 Sam. 18:2.33 koning; Te weten, Absalom, die nu van het volk voor koning gehouden wordt.34 vreemd, Zodat Absalom geen oorzaak kan hebben, om u suspect te houden; en dienvolgens zult gij vrijelijk met Absaloms verlof, weder naar Gath mogen trekken, daar gij, bij mij blijvende, uw staat en bijhebbend volk in gevaar zoudt stellen.Vers 20 Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u.35 Gisteren zijt gij gekomen, Dat is, onlangs.36 weldadigheid en trouw zij met u. Dat is, gelijke weldadigheid en trouw moet u wedervaren als gij aan mij bewezen hebt. Anders, vergeld uwen broederen, die met u zijn, weldadigheid en trouw.Vers 21 Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zo waarachtig als de Heere leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!Vers 22 Toen zeide David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Alzo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren.37 over. Over, of door de beek Kidron, gelijk in het volgende verhaald wordt.Vers 23 En het ganse land weende met luider stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar den weg der woestijn. 38 ganse land weende Dat is, alle inwoners des lands, omtrent Jeruzalem gelegen.39 luider stem, Hebreeuws, groter.40 overging; Of, doorging; alzo sommigen menen dat er ondiepten geweest zijn, waar men te voet kon doorgaan.41 Kidron, Lopende oostwaarts voorbij Jeruzalem, langs den voet van den Olijfberg. Over deze beek ging ook onze Zaligmaker Jezus Christus, Joh. 18:1, als Hij voor ons zou gevangen worden en lijden.42 naar den weg Hebreeuws, naar het aangezicht des wegs, enz.43 woestijn. Liggende tussen Jeruzalem en de Jordaan, anders ook genoemd het vlakke veld. Zie onder, 2 Sam. 15:28, en 2 Sam. 16:2, en 2 Sam. 17:16; idem boven, 2 Sam. 2:29.Vers 24 En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark des verbonds van God, en zij zetten de ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan.44 Zadok Zie boven, 2 Sam. 8:17.45 Abjathar Zie van dezen 1 Sam. 22:20, enz., en 1 Sam. 30:7,8, onder, 2 Sam. 20:25; 1 Kon. 1:7, en 1 Kon. 2:26,27.46 klom op, Het kan zijn dat hij van de hoogte des Olijfbergs heeft willen toezien, wanneer al het volk, dat David uit Jeruzalem volgde, zou over de beek Kidron gegaan zijn, en dat er niemand meer was te verwachten. Vergelijk Joz. 3:17.Vers 25 Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des Heeren ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.47 Zijn woning. Anders, haar woning; namelijk der ark. Versta, den tabernakel, waar de ark te dien tijde in gesteld en God dienvolgens aldaar op een bijzondere wijze met zijn genade tegenwoordig was. Zie boven, 2 Sam. 6:17.Vers 26 Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is.48 Ik heb geen lust tot u; Alsof hij zeide: Belieft het hem daarentegen mij wijders te kastijden, ik ben bereid om mij zijnen wil te onderwerpen.49 zie, hier ben ik, Zie Gen. 22:1.50 zo als het in Zijn ogen goed is. Dat is, zoals het hem zal welgevallen, of goeddunken.Vers 27 Voorts zeide de koning tot den priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaäz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u.51 Zijt gij niet een ziener? Dat is, een leraar, die op het volk moet toezien? Anders, gij zijt de ziener; dat is, gelijk als een profeet [zie 1 Sam. 9:9], omdat hij den Heere vraagde door urim en thummim, en van hem antwoord ontving. Hij mag ook daarenboven een profeet geweest zijn. Sommigen nemen het aldus: Ziet gij niet? Te weten, hoe de zaken gaan en wat nodig is.Vers 28 Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden kome, dat men mij aanzegge.52 woord Dat is, enig bescheid van hetgeen te Jeruzalem passeert, of van Absalom wordt voorgenomen.Vers 29 Alzo bracht Zadok, en Abjathar, de ark Gods weder te Jeruzalem, en zij bleven aldaar.Vers 30 En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.53 olijven, Die op den Olijfberg bij menigte stonden.54 bewonden; Dit waren tekenen van rouw, schaamte en vernedering. Zie ook van toedekken of verhullen des hoofds, onder, 2 Sam. 19:4; Esth. 6:12; Jer. 14:3,4; Ezech. 31:15; en van barrevoets of ongeschoeid gaan, Jes. 20:2,3,4; Jer. 2:25.Vers 31 Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, Heere! maak toch Achitofels raad tot zotheid.55 Toen gaf men David te kennen, Anders, toen verklaarde David, zeggende, enz.56 maak toch Hebreeuws, maak zot, verdwaas. Vergelijk onder, 2 Sam. 16:23.Vers 32 En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd.57 hoogte kwam, Te weten, van den Olijfberg, vanwaar hij de stad en woning des Heeren, waarin de ark [een voorbeeld van den Messias Jezus Christus] haar verblijf had, en waarheen de gelovigen des Ouden Testaments, absent of ballingen zijnde, hun aangezicht in het bidden plachten te richten, tot een teken dat zij hun gebeden fondeerden op de verdiensten van den Messias. Vergelijk 1 Kon. 8:44,48; Dan. 6:11.58 gescheurd, Zie boven, 2 Sam. 1:2.Vers 33 En David zeide tot hem: Zo gij met mij voortgaat, zo zult gij mij tot een last zijn;59 mij tot een last zijn; Hebreeuws, een last op mij zijn.Vers 34 Maar zo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zoudt gij mij den raad van Achitofel te niet maken.60 Uw knecht, Een afgebroken rede, gelijk men nu ook spreekt, voor: ik ben uw knecht, ik zal uw knecht zijn. Anders, O koning, ik zal uw knecht zijn, gelijk ik uws vaders knecht tevoren geweest ben, alzo zal ik nu uw knecht zijn.61 van te voren geweest, Hebreeuws, van toen af.Vers 35 En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, aldaar met u? Zo zal het geschieden, dat gij alle ding, dat gij uit des konings huis zult horen, den priesteren, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven.62 En zijn niet Dat is, die zijn voorzeker aldaar. Van zulk een manier van vragen, zie Richt. 4:6, en elders dikwijls.Vers 36 Ziet, hun beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaäz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult gijlieden door hun hand tot mij zenden alle ding, dat gij zult horen.63 hand Dat is, dienst.Vers 37 Alzo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem.