David door Nathan bestraft
Vers 1 En de Heere zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.1 Nathan tot David. Den profeet, gelijk boven, 2 Sam. 7:2.2 Er waren twee mannen in een stad, Door middel van deze gelijkenis en hare verklaring heeft het den genadigen God beliefd zijn knecht David vooreerst daartoe te brengen, dat hij tegen zichzelven onwetend het vonnis zou uitspreken, en voorts door de krachtige werking des Heiligen Geestes uit den slaap zijner zonden ontwaken, derzelver gruwelijkheid behartigen, en een oprecht berouw bekomen en bewijzen, gelijk geschied is.Vers 2 De rijke had zeer veel schapen en runderen.Vers 3 Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.Vers 4 Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.Vers 5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de Heere leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!3 dien man; Versta, den rijken man.4 kind des doods! Dat is, hij is des doods schuldig, hij heeft den dood verdiend, ten aanzien van de omstandigheden des bitteren gewelds, dat hij aan dien armen man gepleegd had. Vergelijk met deze manier van spreken, Gen. 20:3; Deut. 25:2; boven 2 Sam. 3:34, en Ef. 2:3.Vers 6 En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.5 viervoudig wedergeven, Naar de wet, Exod. 22:1.Vers 7 Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de Heere, de God Israëls: Ik heb u ten koning gezalfd over Israël, en Ik heb u uit Sauls hand gered;6 zijt die man! Dat is, gij zijt dien man gelijk, hebbende zoveel te grover en gruwelijker feit bedreven, als het meerder is iemand zijn enige echte vrouw te ontnemen, dan een enig lam, en nog daarenboven den onschuldigen man te doden.Vers 8 En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.7 heren huis gegeven, Sauls. Hebreeuws, Uwer heren; in het getal van velen, hetwelk voor het getal van enen in de Heilige Schrift pleegt gebruikt te worden. Zie Gen. 39:2. Sommigen behouden, in de overzetting het getal van velen, aldus: uwer heren; dat is, dergenen, die meerder en machtiger waren dan gij, en alzo in de volgende woorden; verstaande dat het huwelijk tussen David en Sauls vrouwen [vanwege de zwagerschap] ongeoorloofd is geweest. Sommigen verstaan door de vrouwen van Saul niet zijn huisvrouwen, maar andere staatsvrouwen.8 vrouwen Niet dat God de veelheid der vrouwen voor goed heeft gekend, maar in het Oude Testament verdragen zonder straf.9 schoot, Zie Gen. 16:5; Deut. 13:6. Anderen verstaan, in uw schoot; dat is, in uw macht; alzo nochtans dat hij haar tegen Gods wet niet mocht misbruiken. Vergelijk 1 Sam. 24:11.10 huis van Israël en Juda gegeven; Dat is, het koninkrijk van mijn ganse volk.11 indien het weinig is, Of, indien [u dit te] weinig [mocht hebben toegeschenen] ik zou u daarenboven alzulks en alzulks daartoe hebben gedaan. Hebreeuws, als, of, na die en na die dingen. God wil zeggen, dat Hij, die hem zoveel goeds gedaan had, machtig was hem wijders van alles naar zijns harten wens te verzorgen, indien hem iets mocht ontbreken. Zulks dat hij gans geen reden had zijn zo goedigen God alzo te vertoornen, en zijn boze lusten met zulke schandelijke middelen te voldoen.Vers 9 Waarom hebt gij dan het woord des Heeren veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uria, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.12 woord des HEEREN veracht, Het zesde, zevende en achtste gebod van de wet des Heeren.13 verslagen, Beschikkende door Joab dat hij van de Ammonieten is omgebracht, gelijk in het volgende wordt verklaard. Zie boven, 2 Sam. 11:14,15,16,17.14 kinderen Ammons doodgeslagen. Die onbesneden en vijanden van God en zijn volk waren.Vers 10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.15 eeuwigheid; Dat is, een langen tijd, of uw levenlang; gelijk 1 Sam. 1:22. Zie ook Deut. 15:17.Vers 11 Zo zegt de Heere: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.16 uit uw huis, Versta, door Davids eigen zonen, Amnon, Absalom en Adonia, gelijk in 2 Sam. 13:en 1 Kon. 1:verhaald wordt. Door deze boosheid heeft God met een heilig en onstraffelijk oordeel David, om zijner zonden wil, scherpelijk getuchtigd en gekastijd. Zie 2 Sam. 12:12.17 voor uw ogen, Dat is, bij uw leven, dat gij het met verdriet en hartzeer zult moeten horen en geloven, alsof gij het met uw ogen hadt gezien, zowel als gans Israël. Zie onder, 2 Sam. 16:22.18 naaste geven; Namelijk, Absalom.19 ogen dezer zon. Dat is, bij lichten, hellen dag, bij den zonneschijn; alzo wordt van zulke schepselen dikwijls gesproken alsof zij gehoor, gezicht en verstand hadden. Zie Deut. 32:1.Vers 12 Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon.20 deze zaak doen voor gans Israël, en voor de zon. Die in 2 Sam. 12:11 verhaald is, te weten, dat God Davids vrouwen zou nemen, en die Absalom geven enz. Is dan God een auteur van Absaloms gruwelijke zonden? Dat zij verre. Nochtans zegt Hij hier uitdrukkelijk dat Hij deze zaak doen zal, enz. Heeft Hij dan Absalom deze boosheid en zonde niet ingestort? Geenszins. Maar Hij heeft Absaloms en Achitofels en des duivels moedwillige boosheid, [die zij van zichzelven hadden] door zijn heilige voorzienigheid alzo geregeerd, dat zij die tot Davids verdriet hebben aangewend en gebruikt; hetwelk den duivel, Absalom en Achitofel [die hun hart en boze lusten gezocht hebben te volbrengen] zo weinig verschoont, als Gods raad van zijn welbeminden Zoon tot onze zaligheid in den dood over te leveren, den verrader Judas, de Joden en Pilatus heeft kunnen verschonen. Het werk van Absalom enz. is boos en duivels, maar Gods werk is heilig en goed; want Hij heeft door boze instrumenten zijn knecht David tot zijn eer en Davids best willen kastijden. Absaloms en Achitofels boosheid ontdekken en tot eer zijner rechtvaardigheid straffen. Van zulke exempelen van Gods voorzienigheid en regering over het kwaad is de Heilige Schrift overal vol. En dit heeft David zeer wel geweten en bekend, en deshalve zich voor God hartelijk verootmoedigd. Zie Gen. 45:5.