2 Kronieken 20:21-37
Vers 21 Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den Heere zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Looft den Heere, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!Vers 22 Ter tijd nu, als zij aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de Heere achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seir, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.Vers 23 Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seir, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seir een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ten verderve.Vers 24 Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen.Vers 25 Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.Vers 26 En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den Heere; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal van Beracha, tot op dezen dag.Vers 27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de Heere had hen verblijd over hun vijanden.Vers 28 En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des Heeren.Vers 29 En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de Heere tegen de vijanden van Israel gestreden had.Vers 30 Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.Vers 31 Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, een dochter van Silhi.Vers 32 En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des Heeren.Vers 33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen.Vers 34 Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israel.Vers 35 Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van Israel; die handelde goddelooslijk in zijn doen.Vers 36 En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-geber.Vers 37 Maar Eliezer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de Heere uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.