Dood van Joram, Aházia en Izébel
Vers 14 Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israël, uit oorzake van Hazaël, den koning van Syrië;26 een verbintenis Zie van de betekenis des Hebreeuwsen woords 1 Kon. 15:27.27 bewaard, Dat is, voorzien, verzekerd en gesterkt met krijgsvolk.Vers 15 Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen, die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël, den koning van Syrië.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreël te gaan verkondigen.28 te Jizreël Zie hiervan boven, 2 Kon. 8:29.29 wil is, Hebreeuws, ziel. Zie Gen. 23:8. Dat is, zo gij het goedvindt, zo het u behaagt.30 Jizreël Waar de koning Joram was.31 gaan verkondigen. Te weten, dat ik koning geworden ben.Vers 16 Toen reed Jehu, en toog naar Jizreël; want Joram lag aldaar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.32 lag aldaar; Te weten, krank van de wonden, die hem de Syriërs geslagen hadden. Zie 2 Kon. 9:15.Vers 17 De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?Vers 18 En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder.33 Is het vrede? Dat is, gaat het wel? Is er geen zwarigheid of onraad? alzo onder, 2 Kon. 9:19,22. Zie Gen. 29:6.34 Wat hebt gij Hebreeuws, wat is u en den vrede? Dat is, wat hebt gij met den vrede te doen? Alzo in 2 Kon. 9:19. Zie 2 Sam. 16:10.Vers 19 Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij.Vers 20 En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk.35 onzinniglijk. Hebreeuws, in onzinnigheid, of met onzinnigheid; dat is met zulke snelheid en onstuimigheid, alsof hij onzinnig was en de paarden zocht den hals af te rijden.Vers 21 Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israël, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreëliet.36 lands Zie boven, 2 Kon. 9:10.Vers 22 Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn?37 hoererijen Versta, geestelijke, welke is afgoderij. Zie Lev. 17:7, en Lev. 20:5.38 toverijen Versta, de bedriegelijke praktijken, door welke Izebel de mensen tot de afgoderij aanlokte en vervolgde. Vergelijk Nah. 3:4.Vers 23 Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!39 zijn hand, Te weten, waarmede hij zichzelven omkeerde in den wagen, of zijn voerman de weet gaf, of ook zelf aan de strengen vatte, om den wagen af te wenden en de vlucht te nemen. Vergelijk 1 Kon. 22:34.40 Het is bedrog, Dat is, Jehu is bedriegelijk en verraderlijk hier gekomen om mij te overvallen en te vermoorden.Vers 24 Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.41 spande den boog Hebreeuws, vulde zijn hand met den boog. Versta, dat hij al de kracht zijns arms bijbracht om den boog ten volle te spannen, uit te rekken en daarmede een geweldig schot te geven.42 schoot Hebreeuws, sloeg.43 kromde zich Dat is, zonk neder in zijn wagen.Vers 25 Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de Heere dezen last opleide, zeggende:44 gedenk, Het schijnt dat Achab, als hij na den dood van Naboth, ging om zijn wijnberg in te nemen, bij zich gehad heeft enige hovelingen en krijgsofficieren, en dat onder dezen geweest zijn Jehu en Bidkar, en gehoord hebben de woorden, in 2 Kon. 9:26 gesteld, van Elia tegen Achab uitgesproken.45 last opleide Dat is, dit profetisch dreigement, of deze voorzegde straf. Zo wordt het woord last veel bij de profeten genomen, omdat de straffen zwaar zijn, zowel in het horen als zij verkondigd worden, als in het gevoelen, wanneer zij den mens dadelijk treffen; Jes. 13:1, en Jes. 15:1; Jer. 23:33,34; Nah. 1:1; Hab. 1:1; Zach. 9:1.Vers 26 Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijner zonen, zegt de Heere, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt de Heere. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk lands, naar het woord des Heeren.46 Ik gisteravond Dit zijn de woorden des Heeren met een eed tegen Achab uitgesproken.47 zijner zonen, Hieruit kan afgenomen worden, dat niet alleen Naboth is vermoord geweest, maar ook zijne kinderen, opdat Achab te geruster het goed van Naboth bezitten mocht.48 lands, Zie boven, 2 Kon. 9:10.49 zegt de HEERE. Dat is, Ik heb het zekerlijk gezien, en Ik zal het u zekerlijk op dit stuk land vergelden. Zie van deze manier van zweren, ook Gode toegeschreven, Num. 14:23.Vers 27 Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.50 weg van het huis des hofs; Dat is, die met bomen beplant was, zodat men in het vluchten daar beter dan elders verborgen kon zijn, om zekerlijk weg te komen.51 Slaat hem ook Dat is, brengt hem om, want hij was ook van het geslacht van Achab, te weten, van de zijde zijner moeder, die Achabs dochter was. Zie boven, 2 Kon. 8:18.52 Gur, Dit schijnt een plaats geweest te zijn op den weg naar Samaria, door welke Ahazia vluchtte, als Jehu bezig was met Joram om te brengen. Jehu nu ziende dat Ahazia hem ontgaan was, heeft zijn krijgslieden hem nagezonden. Deze, naar sommiger mening, zijn hem in deze plaats zo nabij gekomen, dat zij hem aldaar gekwetst hebben, doch niet dodelijk, zulks dat hij te Samaria ontkomen is, waar hij zich verstoken heeft, 2 Kron. 22:9, totdat hij daar ook vervolgd zijnde om tot Jehu gebracht te worden, dodelijk gewond is geworden, doch ontkomen te Megiddo, waar hij gestorven is.53 Jibleam is; Zie Joz. 17:11.54 Megiddo, Zie 1 Kon. 9:15.Vers 28 En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.55 Davids. Zie 1 Kon. 2:10.Vers 29 In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.56 elfde jaar Dat is, in het einde van het elfde en begin van het twaalfde jaar. Zie boven, 2 Kon. 8:25.Vers 30 En Jehu kwam te Jizreël. Als Izebel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.57 blankette Hebreeuws, zette haar ogen in het blanketsel; dat is, heeft haar aangezicht met blanketsel bestreken. Het schijnt dat zij zich stoutelijk toegemaakt en opgepronkt heeft, om Jehu, als door een koninklijke majesteit, schrik en bedwelmheid aan te brengen.Vers 31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?58 poorte Te weten van het koninklijk paleis, waaruit Izebel keek.59 o Zimri, Zij noemt Jehu een anderen Zimri, die zijn heer Ela, den koning Israëls, vermoord had, 1 Kon. 16:9,10, welke moord aan Zimri een gruwelijk einde door middel van Omri genomen had. Dit werpt nu Izebel Jehu voor, om hem te verschrikken, maar tevergeefs, omdat hem van God bevolen was te doen dat hij deed. Anders: Is het Zimri wel gegaan, die zijn heer doodsloeg?Vers 32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.60 Wie is met mij? Dit sprak Jehu tot degenen, die bij Izebel waren, vragende of iemand van hen zijn zaak toegedaan was.61 kamerlingen. Dat is, jonkers, edellieden, hofofficieren, die in het gezelschap van Izebel waren, waar zij uit het venster keek. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk gesnedenen, hoedanig de kamerlingen der koninginnen en prinsessen in die tijden meest waren, en zulken mogen dezen geweest zijn. Zie Gen. 37:36.Vers 33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar.62 hij zeide: Namelijk, Jehu.63 zij stieten haar Te weten, de kamerlingen.64 hij vertrad haar. Namelijk, Jehu.Vers 34 Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is eens konings dochter.65 ingekomen was, Te weten, in het paleis.66 konings dochter. Namelijk, van den koning der Sidoniërs, genoemd Eth-Baäl; 1 Kon. 16:31.Vers 35 En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen.Vers 36 Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit is het woord des Heeren, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn knecht Elia, den Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel eten.67 den dienst van Zijn knecht Elia, Hebreeuws, door de hand.68 Op het stuk lands Zie boven, 2 Kon. 9:10, en van deze profetie, zie 1 Kon. 21:23, waar, hoewel zoveel woorden niet staan, nochtans de zin dezer voorzegde vervulling te vinden is.Vers 37 En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.69 het veld, Hebreeuws, op het aangezicht des velds.