Gedália gedood
Vers 22 Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan.34 Gedalia, Een vroom en oprecht man, den profeet Jeremia zeer toegedaan, en zijn raad in alles volgende. Zie van denzelven ook Jer. 40:5, en is te onderscheiden van een anderen Gedalia, die de grootvader was van den profeet Zefanja, Zef. 1:1.35 Ahikam, Mede een vriend en voorstander van den profeet Jeremia. Zie Jer. 26:24.36 Safan. Die schrijver was des konings Josia, 2 Kon. 22:3.Vers 23 Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaäzanja, de zoon van den Maächathiet, zij en hun mannen.37 Mizpa; Zie van deze stad Richt. 11:11.38 Ismaël, Zie van deze mannen ook Jer. 40:7,8. Sommigen oordelen dat dezen de krijgsoversten en kapiteinen geweest zijn, die met hun volk bij den koning Zedekia waren, toen hij bij Jericho gevangen werd, en daar van hem verstrooid werden, boven, 2 Kon. 25:5.Vers 24 En Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeën, blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u wel gaan.Vers 25 Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; mitsgaders de Joden en de Chaldeën, die met hem te Mizpa waren.39 zevende maand, Zie Jer. 41:1.40 van koninklijk zaad, Hebreeuws, van het zaad des koninkrijks; dat is van het geslacht van David en Salomo. Men noemt die bij ons en in Frankrijk, prinsen van den bloede.41 sloegen Gedalia, Of, omdat zij Gedalia deze zijn hoogheid benijdden; òf omdat zij den koning van Babel haatten; òf om beide oorzaken.Vers 26 Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeën.Vers 27 Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.42 Evilmerodach, De zoon van Nebukadnezar, die zijn vader in de monarchie gevolgd is, en heeft geregeerd omtrent acht en twintig jaren. Sommigen menen dat hij enige kennis gehad heeft van den waren God, en daarom van de ongelovigen is genaamd geweest Evilmerodach, dat is, de zotte Merodach.43 uit het gevangenhuis, Hebreeuws, uit het huis des bedwangs, of besluiting; dat is zonder twijfel geschied, eensdeels uit medelijden met zijn ouderdom en zeer langdurige gevangenis, anderdeels uit aanmerking dat hij zich gewillig in de handen van Nebukadnezar had overgegeven. Zie boven, 2 Kon. 24:12.Vers 28 En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.44 vriendelijk met hem, Hebreeuws, hij sprak goede dingen. Zie 1 Kon. 12:7, en Jer. 12:6.Vers 29 En hij veranderde de klederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.45 de klederen Te weten, die hij placht te gebruiken in de gevangenis. Vergelijk hiermede Gen. 41:14, en de aantekening daarop.Vers 30 En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.46 zijn tering, Te weten, van de tering en onderhouding van Jojachins huisgezin. Want van de tering en lijfkost, Jojachins persoon aangaande, is in 2 Kon. 25:29 gesproken. Anders, want zijn tering was een gedurige tering, hem van den koning gegeven.47 elk dagelijks Dat is, zoveel als voor elken dag verordineerd was. Zie gelijke manier van spreken Exod. 5:13; Lev. 23:37; 1 Kon. 8:59.