Sanherib belegert Jeruzalem
Vers 13 Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.19 in. Te weten, enige derzelve.Vers 14 Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot den koning van Assyrië, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen leide de koning van Assyrië Hizkia, den koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.20 Lachis, Welke stad hij toen belegerde en bestreed.21 talenten zilvers, Zie Exod. 25:39.Vers 15 Alzo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis des Heeren, en in de schatten van het huis des konings.Vers 16 Te dier tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren van den tempel des Heeren, en van de posten, die Hizkia, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat aan de koning van Assyrië.22 sneed Hizkia De zin is dat hij de gouden platen heeft afgetrokken, met welke hij tevoren de deuren en posten des tempels overtogen had, als hij den tempel, dien zijn vader toegesloten had, weder opende; 2 Kron. 29:3.23 dat aan de koning van Assyrië. Hebreeuws, die; te weten, deuren en posten; dat is, het goud, waarmede die waren overtogen geweest.Vers 17 Evenwel zond de koning van Assyrië Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot den koning Hizkia, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hogen weg van het veld des vollers.24 zond de koning Zijn woord niet houdende als hij het geld ontvangen had.25 Rabsaris, Het woord betekent de overste hoveling, of kamerling, gelijk het van enigen overgezet wordt.26 watergang Hiermede verstaan velen een waterloop buiten Jeruzalem, in welken uit een vijver, die daarbij was, water af gelaten werd, waarin de vollers hun lakentuig wiesen. Vergelijk Jes. 7:3.27 oppersten vijvers, Zo toegenaamd tot onderscheiding van den vijver, gezegd de onderste; Jes. 22:9.28 hogen weg Versta, een hogen en gebaanden weg, die, naar eniger gevoelen, met stenen geplaveid was.29 het veld des vollers. Waar de vollers hun wollengoed uitspreidden.Vers 18 En zij riepen tot den koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.30 Eljakim, Zie van dezen vromen en godvruchtigen hofmeester, Jes. 22:20, enz. Van zulk ambt, zie 1 Kon. 4:6. Hebreeuws, die over het huis was.31 schrijver, Anders, griffier, of secretaris; te weten, des konings. Zie 1 Kon. 4:3.32 kanselier. Hebreeuws, memoriemaker. Alzo ook 2 Kon. 18:37; idem 1 Kon. 4:3. Zie de aantekening.Vers 19 En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?Vers 20 Gij zegt (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?33 een woord der lippen): Dat is, ijdel, vergeefs, vruchteloos, gans nietig, waar niet van worden noch komen zal; of versta een woord, dat slechts in den mond is, en niet uit het hart komt; dat is, dat niet gemeend wordt noch bevestigd zal worden. Anders, gij spreekt; maar het zijn niet dan woorden; raad en macht [zijn vereist] tot den oorlog. Anders, gij zegt maar een woord der lippen, maar [daar moet] raad en kracht ten oorlog zijn; spottende alzo met de gebeden en vertroostingen, die Hizkia gebruikte.Vers 21 Zie nu, vertrouwt gij u op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.34 dien gebroken rietstaf, Of, gekrookten. Versta door deze gelijkenis, een hulp, die zwak, trouweloos en ongestadig is. Alzo Jes. 36:6; Ezech. 29:6,7.Vers 22 Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere, onzen God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem? 35 dit altaar Te weten, dezen enigen; gelijk er staat 2 Kron. 32:12. Dat is, voor geen anderen.Vers 23 Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.36 wed toch met mijn heer, Of, stel toch mijn heer, enz. borg.Vers 24 Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst van de geringste knechten mijns heren afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.37 afkeren? Dat is, wederstaan en verdrijven.Vers 25 Nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.38 heeft tot mij gezegd: Dit spreekt hij valselijk door vermetelheid, om Gods volk verschrikt en verbaasd te maken. Hoewel het anderszins door Gods verborgen voorzienigheid geschied is, hetwelk hem nochtans onbekend was. Zie onder, 2 Kon. 19:25; Jes. 10:5,6,7.Vers 26 Toen zeide Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren des volks, dat op den muur is.39 verstaan het wel; Hebreeuws, want wij zijn horende; dat is, wij verstaan en kennen die taal wel. Zie Gen. 11:7.Vers 27 Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten, en hun water drinken zullen?40 dat zij met ulieden Dat is, dat zij gewaarschuwd zouden worden, dat door een strenge belegering hun gruwelijke ellenden zullen overkomen, ja zelfs dat zij gedwongen zullen worden hun eigen mest te eten, enz., om hun honger en dorst te verzadigen, zo zij zich niet willen overgeven.Vers 28 Alzo stond Rabsake, en riep met luider stem in het Joods; en hij sprak en zeide: Hoort het woord des groten konings, des konings van Assyrië!41 luider stem Hebreeuws, grote stem.Vers 29 Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand.Vers 30 Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den Heere, zeggende: De Heere zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van den koning van Assyrië gegeven worden.42 zekerlijk redden, Hebreeuws, reddende redden.Vers 31 Hoort naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrië: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs;43 geschenk, Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk zegening, maar het wordt ook voor een geschenk genomen. Zie Gen. 33:11, met de aantekening. De zin is dat hij den Joden aanbiedt de vredehandeling, opdat zij zijn geweld en harde belegering met het gevolg van dien niet zouden hebben te verwachten.Vers 32 Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zo zult gij leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: De Heere zal ons redden.44 van koren Versta door deze dingen alle tijdelijke goederen, waarmede God een land zegent. Zie Exod. 3:9; Deut. 32:13,14; Job 20:17, mitsgaders de aantekening.45 want hij hitst u op, Anders, als hij u verleidt, of ophitst, of overreedt.Vers 33 Hebben de goden der volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van den koning van Assyrië?46 enigszins gered Hebreeuws, reddende gered.Vers 34 Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?47 Hamath, Zie van deze twee steden ook samengevoegd Jer. 49:23. Wij hebben hier de namen der steden en landen, die de koning van Assyrië ingenomen had. Zie boven, 2 Kon. 17:24, en Jes. 37:13.48 Hena en Ivva? Dit houden sommigen voor eigennamen van landen. [Vergelijk boven, 2 Kon. 17:31]. Anderen zetten het aldus over: Hij heeft hen weggedreven en omgekeerd. Jes. 36:19 worden deze woorden uitgelaten.Vers 35 Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijn hand redden zou?Vers 36 Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.Vers 37 Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.49 hofmeester, Hebreeuws, die over het huis was. Zie van dezen boven, 2 Kon. 18:18, alzo onder, 2 Kon. 19:2.50 gescheurde klederen; Zie Gen. 37:29. Hebreeuws, gescheurde der klederen.