Advertentie

2 Koningen 17:6-23

18 verzen · 34 kanttekeningen · Statenvertaling

Samaria ingenomen

Vers 6 In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrië Samaria in, en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.9 Halah, Enigen houden het voor Calacine van Assyrië, gelegen boven Adiabene. Zie hiervan ook onder, 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26.10 Habor, Hetwelk men meent te zijn een bergachtig land van Assyrië, palende aan Medië. Zie onder, 2 Kon. 18:11.11 rivier Een rivier in Mesopotamië, onder, 2 Kon. 18:11; 1 Kron. 5:26. Anders, Nehar-Gozan, een landschap [naar sommiger gevoelen] in Medië.12 Meden. Zie Gen. 10:2.Vers 7 Want het was geschied, dat de kinderen Israëls gezondigd hadden tegen den Heere, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;13 andere goden Zie Gen. 35:2.Vers 8 En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israëls verdreven had, en der koningen van Israël, die ze gemaakt hadden.14 die ze gemaakt hadden. Versta, de inzettingen, die de koningen Israëls gemaakt hadden. Alzo onder, 2 Kon. 17:19; of der koningen Israëls, die zij, te weten de kinderen Israëls, opgeworpen hadden.Vers 9 En de kinderen Israëls hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den Heere, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.15 tegen den HEERE, Anders, met den HEERE; dat is, met den naam of dekmantel van den dienst des Heeren.16 bemanteld; Hebreeuws eigenlijk, bedekt; dat is, zij hebben hun afgoderij verschoond en bekleed met den naam en schijn van godsdienstigheid, heiligheid en goede mening, willende God dienen, niet naar zijn woord, maar naar hun goeddunken tegen het uitgedrukte bevel Gods; Num. 15:39.17 van den wachttoren af Dat is, overal, door het gehele land, zowel in kleine en onbewoonde plaatsen en in het veld, als in grote en volkrijke plaatsen en in steden. De wachttorens waren hier en daar in het land, om het volk voor de vijanden te waarschuwen, of om het vee en de vruchten te bewaren.Vers 10 En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.18 staande beelden Zie Lev. 26:1.19 bossen, Zie Exod. 34:13, en Deut. 7:5, met de aantekeningen. Anders, bosgoden, bosbeelden.20 op allen hogen heuvel Zie Deut. 12:2.Vers 11 En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de Heere van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den Heere tot toorn te verwekken.Vers 12 En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de Heere tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.21 drekgoden Zie Lev. 26:30.Vers 13 Als nu de Heere tegen Israël en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;22 dienst Hebreeuws, door de hand.23 zieners, Te weten, dien God zijn wil verklaard had op allerlei manieren, die God in die tijden gebruikte om de mensen te onderwijzen, als door aanspraken, gezichten, of dromen. Zie Num. 12:6.Vers 14 Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den Heere, hun God, niet geloofd hadden.24 verhardden Dat is, zij waren ten uiterste toe ongehoorzaam en wederspannig, niet willende zich naar de vermaningen des Heeren neigen. Zie Exod. 32:9.25 aan den HEERE, Dat is, zijn dreigementen niet geloofd hadden.Vers 15 Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de Heere hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.26 ijdelheid na, De afgoderij werd ijdelheid genaamd, zowel omdat de afgoden een nietig ding zijn, als omdat het vertrouwen, daarop gesteld, tevergeefs is, ja ook omdat de afgodendienaars van het rechte verstand en oordeel beroofd zijn.Vers 16 Ja, zij verlieten al de geboden des Heeren, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baäl.27 alle heir des hemels, Zie Deut. 4:19.28 Baäl. Zie Richt. 2:11.Vers 17 Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des Heeren, om Hem tot toorn te verwekken.29 door het vuur gaan, Zie Lev. 18:21.30 gebruikten Hebreeuws, waarzeiden, waarzeggingen.31 gaven Zie Lev. 19:26.32 verkochten zich, Zie den zin dezer manier van spreken 1 Kon. 21:20.Vers 18 Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.33 Zijn aangezicht; Dat is, uit het land Kanaän, hetwelk Hij hem tot een woning geheiligd had, hebbende daarin zijn kerk, in welker midden Hij woonde, en in deze de uiterlijke tekenen zijner tegenwoordigheid vertoonde. Alzo onder, 2 Kon. 17:20,23, en 2 Kon. 23:27, en 2 Kon. 24:3.34 de stam van Juda Zijnde hieronder begrepen de Levieten, die in den stam van Juda woonden, en de Simeonieten, die daaronder gemengd waren, met een deel van Benjamin. Zie 1 Kon. 11:32.Vers 19 Zelfs hield Juda de geboden des Heeren, huns Gods, niet; maar zij wandelden in de inzettingen van Israël, die zij gemaakt hadden.35 Juda Dit heeft de zonde der Israëlieten vermeerderd, dat zij door hun kwaad exempel ook die van Juda deden zondigen en tot afgoderij verwekten. Zie Hos. 4:15.36 die zij gemaakt hadden. Te weten, de Israëlieten.Vers 20 Zo verwierp de Heere het ganse zaad van Israël, en bedrukte hen, en gaf ze in de hand der rovers, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had.37 ganse zaad Te weten, de tien stammen, die Israël genaamd worden tot een onderscheid van Juda, gelijk af te nemen is uit 2 Kon. 17:21.Vers 21 Want Hij scheurde Israël van het huis van David af, en zij maakten Jerobeam, den zoon van Nebat, koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter den Heere, en hij deed ze een grote zonde zondigen.38 Hij scheurde Namelijk, de Heere, 1 Kon. 12:24. Of, Israël scheurde zich van het huis Davids af.39 een grote zonde Zie 1 Kon. 12:30.Vers 22 Alzo wandelden de kinderen Israëls in alle zonden van Jerobeam die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af;40 die hij gedaan had; Zie 1 Kon. 14:16.Vers 23 Totdat de Heere Israël van Zijn aangezicht wegdeed, gelijk als Hij gesproken had door den dienst van al Zijn knechten, de profeten; alzo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op dezen dag.41 den dienst Hebreeuws, door de hand.42 tot op dezen dag. Dat is, welke vervoering maakt dat zij tot heden, als dit geschreven is, uitlandig zijn en in ballingschap blijven.

Lees heel 2 Koningen 17

Advertentie

Steun het werk — als dank leest u zonder advertenties.

De dagtekst, elke ochtend

Elke ochtend één kerntekst uit de Statenvertaling in uw mailbox, met een psalmvers om te zingen. Bekijk de dagtekst van vandaag.

Geen spam en afmelden kan altijd.

Dank u. Controleer uw e-mail om de aanmelding te bevestigen.