De tempel te Jeruzalem hersteld
Vers 4 En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des Heeren, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des Heeren,6 der geheiligde dingen, Hebreeuws, heiligheden; dat is, die den Heere geheiligd en tot zijn dienst toegeëigend waren; en nu tot den bouw en de vermaking des tempels moesten aangelegd worden. Van deze worden hier zekere soorten vermeld, naar uitwijzen der volgende woorden.7 desgenen, Hebreeuws, des voorbijgaanden of des overgaanden; te weten, onder, of tot de getelden; dat is, die gerekend werd onder degenen, die geschat moesten worden. Dezen nu waren al degenen, die twintig jaren en daarboven oud waren, die, wanneer de telling geschiedde, moesten elk een halven sikkel voor hun hoofd geven, Exod. 30:13. Dit was de eerste soort der geheiligde dingen.8 getelden, Dit woord is hier ingevoegd uit Exod. 30:13.9 het geld Hebreeuws, des mans geld der zielen zijner schatting; dat is, het geld, waarmede de priester een persoon, die zijn gelofte den Heere gedaan had, geschat heeft, opdat hij zich zou lossen en vrijmaken. Zie de wet hiervan Lev. 27:2. Dit was de tweede soort der geheiligde dingen.10 der personen Hebreeuws, zielen. Dit woord is hier voor personen of mensen genomen. Zie Gen. 12:5.11 al het geld, De derde soort der geheiligde dingen was, die iemand gans vrijwilliglijk den Heere offerde, zonder daartoe door enige wet genoodzaakt te zijn, maar wel opgewekt zijnde door vermaning, 2 Kron. 24:5,6. Vergelijk Exod. 35:5.12 komt, Hebreeuws, opkomt, of klimt.Vers 5 Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.13 verbeteren, Hebreeuws, versterken. En zo in het volgende.14 voor breuk Versta, dat gescheurd, gespleten, gereten, of vervallen was door den ouderdom van het gebouw; of geschonden en verwoest door de goddeloze Athalia. Zie 2 Kron. 24:7.Vers 6 Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.Vers 7 Toen riep de koning Joas den priester Jojada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.15 neemt geen geld Gelijk gij tevoren gedaan hebt. Zie 2 Kon. 12:4,5.16 dat gij Gelijk gij tevoren wel beloofd, maar niet gedaan hebt.Vers 8 En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.Vers 9 Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des Heeren; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat ten huize des Heeren gebracht werd.17 nam een kist, Met toestemming ja door bevel des konings; 2 Kron. 24:8.18 deksel, Hebreeuws, in haar deur.19 ter rechterhand, Versta, aan de post, of ter zijde der deur, waar men inging in het voorhof der priesters, alwaar het brandofferaltaar stond, aan het einde van het grote voorhof; want zover mocht gans Israël komen, gelijk de Levieten daar aan den dorpel dezer deur de wacht hielden, Num. 18:4. Zulk een offerkist was ook nog in den tempel ten tijde van Jezus Christus. Zie Mark. 12:41; Luk. 21:1.20 dorpel Te weten, der poort van het voorhof der priesters; en dat naar het voorschrift des Heeren; Num. 18:4.Vers 10 Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis des Heeren gevonden werd.21 schrijver Dat is, griffier, of secretaris. Alzo onder, 2 Kon. 19:2, en 2 Kon. 22:3; idem 2 Sam. 8:17.22 zij bonden het Te weten, in buidels, of zakken.Vers 11 En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis des Heeren; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des Heeren vermaakten;23 verzorgers Hebreeuws, doeners van dat werk. Alzo onder, 2 Kon. 22:5. Dat is, die als opzieners over dit werk des tempels gesteld waren.24 timmerlieden Hebreeuws, werknemers des houts.Vers 12 En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des Heeren te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.25 metselaren, Het Hebreeuwse woord betekent in het algemeen degenen, die stenen muren en houten wanden en heiningen maken. Alzo onder, 2 Kon. 22:6; Jes. 58:12; Ezech. 22:30. Hier is het voor metselaars genomen.26 gehouwen Hebreeuws, stenen der uithouwing, of, snijding; dat is, die uit de aarde gehouwen worden, en daarna ook door houwing of snijding tot zeker gebruik moeten gefatsoeneerd worden.27 uitgegeven Hebreeuws, dat uitging; dat is, dat uitgelegd werd van geld, of anders uitbesteed, tot behoefte van de vermaking des tempels.Vers 13 Evenwel werden niet gemaakt voor het huis des Heeren zilveren schalen, gaffelen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden vat, of zilveren vat, van het geld, dat ten huize des Heeren gebracht werd.28 werden Dat is, zij bevorderden zozeer den bouw des tempels dat zij de vaten, tot den godsdienst behorende, niet maakten voordat het bouwwerk volbracht was; maar daarna hebben zij ook van het overschot des gelds allerlei vaten gemaakt. Zie 2 Kron. 24:14.29 zilveren schalen, Zie van deze vaten 1 Kon. 7:50.Vers 14 Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmede het huis des Heeren.Vers 15 Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.30 eisten Of, deden de mannen geen rekening doen; of rekenden niet met de mannen.31 trouwelijk. Hebreeuws, in waarheid, of trouw; dat is, op geloof. De zin is: Gelijk het geld hun vromigheid toevertrouwd was, alzo hebben zij ook hetzelve trouwelijk aangelegd en besteed.Vers 16 Het geld van schuldoffer, en het geld van zondofferen werd ten huize des Heeren niet gebracht; het was voor de priesteren.