Aanval van Házaël afgewend
Vers 17 Toen trok Hazaël, de koning van Syrië op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.32 Toen trok Hazaël, Namelijk, nadat Jojada nu gestorven was en Joas zijn wegen verdorven had, 2 Kron. 24:22,23.33 Gath, Zie 1 Kon. 2:39.34 stelde Hazaël Zijn aangezicht ergens naar stellen, is iets ernstiglijk voornemen en aangrijpen. Zie 2 Kron. 20:3; Jer. 42:15; Ezech. 21:2; Dan. 9:3; Luk. 9:51.Vers 18 Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des Heeren, en van het huis des konings, en zond het tot Hazaël, den koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.35 geheiligde dingen, Hebreeuws, heiligheden. Als boven, 2 Kon. 12:4. Zie Lev. 5:15.