Athália doodt het ganse koninklijke geslacht, en regeert over Juda
Vers 1 Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om.1 Athalia Welke was Achabs dochter, de huisvrouw van Joram en moeder van Ahazia, dien Jehu gedood had, boven, 2 Kon. 8:18, en 2 Kon. 9:27.2 Ahazia, Zie boven, 2 Kon. 9:27.3 al het koninklijke zaad Hebreeuws, al het zaad des koninkrijks; dat is, al de prinsen van den bloede, op welke de successie der kroon mocht komen. Versta dit, van Athalia's voornemen, niet van de volle daad; want één is ontkomen; gelijk 2 Kon. 11:2 uitwijst.Vers 2 Maar Joseba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.4 Joseba, Hebreeuws, Jehoschebah. Anders, Jehoschabbath, 2 Kron. 22:11, alwaar ook staat dat zij was de huisvrouw van den hogepriester Jojada, maar men meent dat zij uit een andere huisvrouw van Joram dan uit de afgodische Athalia geboren was.5 Joas, Hebreeuws, Joasch; anders, Jehoasch, onder, 2 Kon. 12:2.6 [zettende] Dit woord is hier ingevoegd uit 2 Kron. 22:11.7 een slaapkamer; Hebreeuws, een kamer der bedden; dat is, in een der kamers, die aan den tempel getimmerd waren, waarin de bedden der priesters waren, waarop zij sliepen, als zij op hun beurt den godsdienst moesten waarnemen. Zie Jer. 35:2.8 zij verborgen hem Te weten, Jojada en Joseba.9 voor Athalia, Hebreeuws, voor het aangezicht van Athalia.Vers 3 En hij was met haar verstoken in het huis des Heeren zes jaren; en Athalia regeerde over het land.Vers 4 In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis des Heeren; en hij maakte een verbond met hen, en hij beëdigde hen in het huis des Heeren, en hij toonde hun den zoon des konings.10 Jojada, Hebreeuws, Jehojadah, de zoon van Ahimaäz, den zoon van Zadok, hogepriester en onderscheiden van Jojada, den vader van Benaja, die leefde ten tijde van David, 2 Sam. 8:18.11 oversten van honderd Dezen waren vijf in getal, en worden genoemd 2 Kron. 23:1. Zij schijnen priesters geweest te zijn, gelijk men mag afnemen 2 Kon. 11:5,7,9.12 hij maakte Te weten, om Athalia te doden, Joas in het koninkrijk te stellen, de afgoderij te weren, en den zuiveren godsdienst weder op te richten.Vers 5 En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings;13 u, Versta, priesters en Levieten; 2 Kron. 23:4.14 ingaan, Te weten, in den tempel. De priesters en de Levieten waren verdeeld in vier en twintig beurten, 1 Kron. 24, naar welke verdeling zij bij beurte alle week in den tempel kwamen, om den godsdienst naar de gestelde orde te verzorgen; hetwelk wordt genoemd ingaan, te weten, in den tempel, om de wacht waar te nemen. Anders, die in de week ingaan.15 huis des konings; Dat is, aan de kamer in den tempel, waar de jonge koning werd verborgen gehouden.Vers 6 En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult gij waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking.16 Sur; Dit was de poort tegen het oosten, en was de grootste poort des tempels, daarom wordt zij ook genoemd de hoge-poort, onder, 2 Kon. 15:35; ook de fondament-poort, 2 Kron. 23:5; idem de nieuwe poort, Jer. 26:10, omdat zij van den koning Jotham is vernieuwd, 2 Kron. 27:3.17 achter de trawanten; Deze poort was aan het zuiden, naar den voorhof der priesters, die anders [gelijk enigen menen] genaamd werd Sippim, dat is, de dorpelpoort; 2 Kron. 23:4.18 tegen inbreking. Of, tegen afrukking, of wegneming; dat is, gij zult den tempel alzo bewaren, dat daaraan niet gebroken worde, en dat de koning met geweld daar niet uit genomen noch weggevoerd worde.Vers 7 En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des Heeren waarnemen bij den koning.19 delen Hebreeuws, handen.20 uitgaan, Versta, degenen, die uit den tempel naar huis zouden keren, hebbende voor die week hun dienst op hun beurt volbracht. Want op elken sabbat moesten nieuwe in hun plaats treden.Vers 8 En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en zijt gij bij den koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.21 tussen Of, tussen de gelederen, die in orde gesteld zijn; dat is, in uw wacht, als gij zult optrekken, of rondom den koning zijn, om hem te bewaren.Vers 9 De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester Jojada.Vers 10 En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des Heeren geweest waren.22 die van den koning Dat is, die David van zijn vijanden had genomen, en mogelijk den Heere in den tabernakel tot een gedachtenis geheiligd had; gelijk het zwaard van Goliath, 1 Sam. 21:9, en de schilden der Syriërs, 2 Sam. 8:7, die daarna schijnen van Salomo in den tempel gebracht te zijn, 1 Kon. 7:51.Vers 11 En de trawanten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom.23 rechterzijde Dat is, de zuidzijde.24 linkerzijde Dat is, de noordzijde.25 het altaar Te weten, der brandoffers; welke was bij de oostpoort des tempels.26 het huis toe, Dat is, den tempel, die van het altaar westwaarts stond.Vers 12 Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!27 hij des konings zoon Namelijk, Jojada.28 getuigenis; Hetwelk hij hem in de hand gaf, en was het wetboek, waarin God getuigt hoe hij zich in zijne regering moest gedragen. Zie Deut. 17:18.29 zalfden hem; Die hun vader naar de gewoonlijke orde in het rijk opvolgden, werden naar sommiger mening, niet gezalfd, maar alleen, die na enige verandering in het regiment of buiten de ordinaire wet, of uit vrees van toekomende zwarigheid, koning werden, gelijk Saul, 1 Sam. 10:1; David, 1 Sam. 16:13; Salomo, 1 Kon. 1:34; Jehu, 2 Kon. 9:6; Joahaz, 2 Kon. 23:30; en hier Joas, die zijn vader opgevolgd is, nadat Athalia het rijk geweldiglijk en tirannelijk aan zich getrokken had.30 klapten Tot een teken en bewijs der vreugde. Alzo wordt de klapping der handen genomen, Ps. 98:8; Ezech. 25:6; elders voor een teken der droefheid, Ezech. 6:11.Vers 13 Toen Athalia hoorde de stem der trawanten en des volks, zo kwam zij tot het volk in het huis des Heeren.Vers 14 En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij den pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!31 pilaar, Of, gestoelte; dat is, op het koninklijk gestoelte, dat Salomo van koper gemaakt had, en stond in het voorhof des volks aan een pilaar. Zie onder, 2 Kon. 23:3, en 2 Kron. 6:13.32 naar de wijze, Dat is, naar de manier van doen; of, gelijk de koning gewoon was, aan die kolom te staan als hij in den tempel kwam om God te dienen, of het volk aan te spreken. Vergelijk onder, 2 Kon. 23:3.33 verscheurde Een teken van spijt, droefheid en grote beroering des geestes. Zie Gen. 37:29.Vers 15 Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis des Heeren niet gedood worden.34 de ordeningen, Zie boven, 2 Kon. 11:8.