De profeten van Baäl uitgeroeid
Vers 18 En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baäl een weinig gediend; Jehu zal hem veel dienen.37 Baäl Zie 1 Kon. 16:31.38 veel dienen. Zie de aantekeningen op 2 Kon. 10:19.Vers 19 Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht.39 een grote Hij spreekt met leugen en dubbelzinnigheid [welke middelen niet te prijzen zijn], menende Baäl al zijn priesters en profeten en dienaars te slachten of te doden, en alzo zijn grote offerande te volbrengen.Vers 20 Verder zeide Jehu: Heiligt Baäl een verbods dag. en zij riepen dien uit.40 verbods dag Dat is, een groten vierdag, op denwelken alle dienstelijke werken verboden waren. Zie Lev. 23:36.Vers 21 Ook zond Jehu in het ganse Israël; en alle Baälsdienaren kwamen, dat niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baäl, dat het huis van Baäl vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.41 huis van Baäl, Dat is, den tempel Baäls.42 van het ene einde Hebreeuws, mond aan mond. Alzo onder, 2 Kon. 21:16.Vers 22 Toen zeide hij tot dengene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baäl de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit.43 klederhuis was: Of, klederkamer; versta, een kamer, in welke de klederen opgesloten waren, die de Baälpriesters in hun dienst gebruiken moesten. Anders, de klederkast, of, de klederen.44 de kleding uit. Omdat God in het Oude Testament zijn priesters een bijzondere kleding [die in het Nieuwe Testament met het priesterdom opgehouden heeft] voorgeschreven had, zo heeft de duivel zulks in zijn priesters willen nabootsen.Vers 23 En Jehu kwam met Jonadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zeide tot de dienaren van Baäl: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren des Heeren, maar van de dienaren van Baäl alleen.45 dienaren des HEEREN; Dezen wilde hij bij dit werk niet hebben, kwanswijs met dezen schijn, opdat zij hetzelve door hun tegenwoordigheid niet zouden ontheiligen, zijnde van een andere religie, maar in der waarheid, opdat zij onder de dienaars Baäls niet onwetend zouden omgebracht worden.Vers 24 Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zeide: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor deszelfs ziel zijn.46 zijn ziel Dat is, de ziel desgenen, die een zal laten ontkomen, zonder hem te doden. Het woord ziel is hier voor het leven genomen. Zie Gen. 19:17.47 deszelfs ziel zijn. Dat is, desgenen die ontkomt. De zin is, indien iemand der bestelde mannen een liet ontlopen, dat hij zelf zou moeten sterven.Vers 25 En het geschiedde, als hij voleind had het brandoffer te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaard; en de trawanten en hoofdmannen wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baäl;48 hij voleind had Te weten, de overste priester der Baälieten. Of toen men voleind had, enz.49 trawanten Dat is, tot die tachtig mannen, van welke in 2 Kon. 10:24 gesproken is.50 wierpen hen weg; Versta, de dode lichamen der omgebrachten, die buiten de stad weggeworpen werden.51 huis van Baäl; Dit kan men verstaan van dezelfde stad, of van elke stad waar een huis van Baäl was. Alzo in 2 Kon. 10:26. Zie 2 Kon. 10:28.Vers 26 En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baäl, en verbrandden ze.Vers 27 Zij braken ook het opgerichte beeld van Baäl af; daartoe braken zij het huis van Baäl af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen dag.52 heimelijke gemakken, Dat is, tot privaten of secreten, waar de mensen hun gevoeg maakten, hetwelk zij gedaan hebben tot versmading en verachting van den afgod en den afgodendienst, die daarin gepleegd was geweest. Vergelijk Jes. 36:12. In denzelfden zin worden de afgoden in de Heilige Schrift drekgoden genaamd. Zie Lev. 26:30, en de aantekeningen daarop.Vers 28 Alzo verdelgde Jehu Baäl uit Israël.Vers 29 Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-el en die te Dan waren.53 die te Beth-el en die te Dan waren. Te weten, in elke plaats een.Vers 30 De Heere dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israël zitten.54 dan zeide Namelijk door iemand van de profeten; gelijk hij ook door een hunner den last ontvangen had, om deze goddelijke wraak uit te voeren; boven, 2 Kon. 9:7.55 zonen Hebreeuws, zonen der vierden; de vervulling hiervan, zie eerst in Joahaz, onder, 2 Kon. 10:35, en daarin in Joas, 2 Kon. 13:10, ten derde in Jerobeam, 2 Kon. 14:23, ten vierde in Zacharia, 2 Kon. 15:8.Vers 31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des Heeren, des Gods van Israël, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israël zondigen deed.56 zonden van Jerobeam, Deze zonden worden uitgedrukt boven, 2 Kon. 10:29.Vers 32 In die dagen begon de Heere Israël af te korten, want Hazaël sloeg ze in alle landpalen van Israël:57 af te korten, Of, af te snijden; dat is, zijn landpalen in te trekken en te verminderen. Zie 2 Kon. 10:33. En dit is geschied achtervolgens de profetie van Elisa; boven, 2 Kon. 8:12.58 Hazaël De koning van Syrië.Vers 33 Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.59 tegen den opgang Versta, ten aanzien van de gelegenheid des lands van Kanaän.60 Gilead, Zie Gen. 31:21.61 Aroer, Een stad, gelegen over de Jordaan in den stam van Gad, van welke zie Num. 32:34; Joz. 12:2.62 Arnon is, Zie Num. 21:14; Deut. 2:36.63 Gilead, Vergelijk dit met Deut. 3:12,13,14, enz., en de aantekeningen daarop.